Author: Couperus, Louis (1863-1923) Title: De stille kracht Release Date: June 28, 2005 [EBook #100054] Language: Dutch Character set encoding: ASCII
| Eerste hoofdstuk |
| Tweede hoofdstuk |
| Derde hoofdstuk |
| Vierde hoofdstuk |
| Vijfde hoofdstuk |
| Zesde hoofdstuk |
| Zevende hoofdstuk |
| Verklarende woordenlijst |
EERSTE HOOFDSTUKI
De volle maan, tragisch die avond, was reeds vroeg, nog in de laatste dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde als een zonsondergang laag achter de tamarindebomen der Lange Laan en steeg, langzaam zich louterende van haar tragische tint, in een vage hemel op. Een doodse stilte spande alom als een sluier van zwijgen, of, na de lange middagsiësta, de avondrust zonder overgang van leven begon. Over de stad, wier wit gepilaarde villa-huizen laag wegscholen in het geboomte der lanen en tuinen, hing een donzende geluideloosheid, in de windstille benauwdheid der avondlucht, als was de matte avond moe van de zonneblakende dag der Oostmoesson. De huizen, zonder geluid, doken weg, doodstil, in het lover van hun tuinen, met de regelmatig opblankende rissen der grote gekalkte bloempotten. Hier en daar werd een licht al ontstoken. Plotseling blafte een hond, en antwoordde een andere hond en verscheurde de donzende stilte in lange, ruwe flarden; de nijdige hondekelen, hees, ademloos, schor vijandig; plotseling ook zwegen zij stil.
Aan het einde der Lange Laan lag diep in zijn voortuin het Residentie-huis. Laag, dadelijk in de nacht der waringinbomen, zigzagde het zijn pannendaken, het ene achter het andere, naar de schaduw van de achtertuin toe, met een primitieve lijn van daktekening, over iedere galerij een dak, over iedere kamer een dak, tot éen lange daksilhouet. Vóor echter, rezen de witte zuilen der voorgalerij, met de witte zuilen der portiek, hoog blank en aanzienlijk op, met brede tussenruimten, met grote openheid van ontvangst, met een uitbreiding van indrukwekkend paleisportaal. Door de open deuren verschoot de middengalerij vaag naar achteren toe, met een enkel licht opgeglimd. Een oppasser ontstak de lantarens ter zij van het huis. Halfcirkels van grote, witte potten met rozen en chrysanten, met palmen en caladiums, bogen links en rechts wijd voor het huis naar terzijde uit. Een brede grintlaan vormde de oprit tot in de witgezuilde portiek; dan strekte zich uit een wijd dor gazon, met potten omgeven, en, in het midden op een gemetseld voetstuk, een monumentale vaaspot, met een grote latania. Een groene frisheid was daar de kronkelende vijver, waar de reuzenbladeren ener Victoria Regia als dofgroene presenteerbladen zich rondden tegen elkaar, met een enkele blankende lotosachtige bloem er tussen. Een pad kronkelde langs de vijver en op een met kiezelsteen geplaveide ronde plek rees een hoge vlaggestok. De vlag was reeds neergehaald, als iedere dag om zes uur. Een eenvoudig hek sneed het erf af van de Lange Laan.
Het reusachtige erf was stil. Er brandden nu, langzaam, omslachtig aangestoken door de lampenjongen, éen lamp van de kroon der voorgalerij, en de neergedraaide lamp binnen, als twee nachtlichtjes in het paleis van zuilen en van, kinderlijk naar achter verschietende, daken. Op de trappen van de kantoorkamer zaten enkele oppassers, in hun donkere uniform, fluisterend wat te praten. Eén van hen stond na een poze op en begaf zich, met een rustige pas van zich niet te willen overhaasten, naar een bronzen klok, die hoog hing, bij het oppassershuisje, geheel terzijde van het erf. Toen hij na een honderd pas genaderd was, luidde hij zeven langzame weer-echoënde slagen. De klepel bronsde bonzende in de bel van de klok en de slag, telkens, zigzagde na met een zware trilling van nageluid. De honden blaften weer op. De oppasser, langzaam, met zijn lenige pas, jongensachtig slank in zijn blauw laken jasje en broek met gele banden en omslag, liep zijn honderd passen naar de andere oppassers rustig terug.
Nu was in het kantoor licht ontstoken en ook in de aangrenzende slaapkamer, waar het door de jaloezieën schemerde. De resident, een grote zware man, in zwart jasje, witte broek, liep de kamer door en riep naar buiten:
- Oppas!
De hoofdoppasser, in zijn laken uniformrokje, de panden breedgeelomzoomd, naderde met gebogen knieën, hurkte neer...
- Roep de nonna!
- De nonna is al uitgegaan, Kandjeng! fluisterde de man en schetste met beide handen, de vingers tegen elkaar, het eerbiedig gebaar van de semba.
- Waar is de nonna naar toe?
- Dat heb ik nog niet onderzocht, Kandjeng! zei de man, als verontschuldiging, dat hij niet wist, en schetste weer de semba.
De resident dacht even na.
- Mijn pet, zeide hij. Mijn stok.
De hoofdoppasser, steeds in krommende knieën van zich eerbiedig krimpen in elkaar, scharrelde even door de kamer en bood hurkende aan de klein-uniformpet, en een wandelstok.
De resident ging uit. De hoofdoppasser haastte zich achter hem aan, met een tali-api in de hand: een lange brandende lont, waarvan hij de gloeiende punt zwaaide om aan wie voorbijging, in de avond, de resident te doen herkennen. De resident liep langzaam het erf af, en naar de Lange Laan. Aan die laan, als een avenue van tamarinde-bomen en flamboyants, lagen de villa's der voornaamste notabelen, flauw verlicht, doodstil, schijnbaar onbewoond, met, in de avondvaagheid opblankend, de rissen der gekalkte bloempotten. De resident wandelde eerst langs het huis van de secretaris; dan ter andere zijde een meisjesschool; dan de notaris, een hotel, de post, de president van de Landraad. Aan het einde van de Lange Laan stond de Roomse kerk, en verderop, de brug over der kali, lag het station. Bij het station was meer verlicht dan de andere huizen een grote Europese toko. De maan, hoger geklommen, zich heller zilverende bij haar stijging, bescheen de witte brug, de witte toko, de witte kerk: dit alles om een vierkant square, meer open, zonder bomen en met in het midden een spits monumentje, dat de Stadsklok was.
De resident ontmoette niemand; nu en dan kwam echter een enkele Javaan, zich donker bewegende, even uit de schaduw, en dan zwaaide de oppasser achter zijn heer met veel ostentatie de gloeiende punt van zijn vuurtouw. Meestal begreep de Javaan, en maakte zich klein, en kromp in-een aan de rand van de weg, en ging als loophurkende voorbij. Een enkele keer, onwetend, pas uit zijn dessa, begreep hij niet, liep angstig voorbij, zag angstig naar de oppasser, die maar zwaaide en zwaaide, en hem, in het voorbijgaan, achter de rug van zijn meester een vloek toeduwde, omdat hij - de dessa-kerel - geen manieren had. Als een karretje aankwam of sado, zwaaide hij weer en zwaaide hij zijn vuursterretje door de avond, wenkte de voerman, die óf stil hield en afsteeg, óf neerhurkte in zijn voertuigje en hurkend doormende aan de uiterste rand van de weg.
De resident liep somber door, met de flinke pas van een besliste wandelaar. Hij was rechts van het square-tje af geslagen, en liep langs de Hervormde kerk, recht op een mooie villa toe met slanke, vrij correcte Ionische pleisterzuilen en hel verlicht met petroleumlampen in kronen. Het was de societeit Concordia. Een paar bedienden in witte buisjes zaten op de trappen. Een Europeaan in een wit pakje, de kastelein, liep in de voorgalerij. Maar om de grote bittertafel zat niemand en de wijde rieten stoelen openden hun armen afwachtende als tevergeefs.
De kastelein, ziende de resident, boog, en de resident tikte kort aan zijn pet en ging de societeit voorbij, sloeg links om. Hij wandelde een laan af, langs kleine donkere huisjes in kleine erfjes weggedoken, sloeg weer om en ging langs de uitmonding der kali, die was als een kanaal. Prauw aan prauw lag vastgemeerd; een eentonig geneurie van Madoerese zeelui zeurde droefgeestig langzaam over het water, waaruit een vissige wadem oprees. Langs het havenkantoor ging de resident naar de pier toe, die een eind uitstak in zee, en waar op de punt een kleine vuurtoren, als een kleine Eiffel, zijn ijzeren kandelabervorm verhief, met zijn lamp aan de top. Daar bleef de resident staan en ademde op. De wind was plotseling opgestoken, de grongong blies, uit de verte waaiende aan, als iedere dag om dat uur. Maar soms zakte hij ineens onverwachts neer, in-een, als met een onmacht zijner waaiende vlerken, en de opgeheven zee strookte haar maanwitte schuimkrullen glad en fosforiseerde even, met strepen lang en bleek.
Over de zee naderde droefgeestig een eentonig ritmisch zeuren van zingen, een zeil donkerde aan als een grote nachtvogel, en een vissersprauw met hoog opbuigende voorsteven, - met iets van een antiek schip - gleed het kanaal in. Een weemoed van levensgelatenheid, een berusting in al het kleine donkere aardse onder die eindeloze hemel, aan die zee van fosforiserende verte, dreef om en toverde een geheimzinnigheid, die beklemde...
De grote stevige man, die daar stond, wijdbeens, opademend de, langzaam met vlagen aanwaaiende, wind - moe van zijn werk, van zijn zitten aan zijn schrijftafel, van zijn berekeningen der duitenkwestie - die afschaffing der duiten, door de Gouverneur-Generaal zijner persoonlijke verantwoordelijkheid opgelegd als een kwestie van belang - die grote stevige man, praktisch, koel van denken, kort beslist van langdurige gezagsuitoefening, voelde misschien niet die donkere geheimzinnigheid drijven over de Indische avondstad - hoofdplaats van zijn gewest - maar hij voelde een begeerte naar tederheid. Vaag voelde hij de begeerte van een kinderarm om zijn hals, van kleine hoge stemmen om zich heen, de begeerte naar een jonge vrouw, die glimlachend hem wachten zou. Hij dacht die sentimentaliteit in zich niet uit, hij was niet gewoon zich over te geven aan mijmering over zichzelve: hij had het te druk; zijn dagen waren te veel gevuld met belangen van allerlei aard, dan dat hij toe zou geven aan wat hij wist, dat zijn vlaagjes van zwakte waren: de onderdrukte opwellingen van jongere jaren. Maar al mijmerde hij niet, de stemming was onafweerbaar, als een druk op zijn brede borst, als een ziekte van tederheid, een malaise van sentimentaliteit in zijn anders heel praktisch gemoed van hoofdambtenaar, die hield van zijn werkkring, van zijn gewest; die hart had voor de belangen ervan, en wie het bijna onafhankelijk gezag van zijn betrekking geheel in harmonie was met zijn heersersnatuur; die met zijn krachtige longen zijn atmosfeer van wijde werkkring en ruim veld van zo verscheiden arbeid, met even veel genot gewoon was te ademen, als hij nu ademde de wijde wind van de zee. De begeerte, het verlangen, een heimwee, waren die avond vooral, vol in hem. Hij voelde zich eenzaam, niet alléén om het isolement, dat een hoofd van gewestelijk bestuur altijd min of meer omringt, wie men óf nadert conventioneel glimlachendeerbiedig, om conversatie, óf kort, zakelijk-eerbiedig, om zaken. Hij voelde zich eenzaam, hoewel hij vader was van een huisgezin. Hij dacht aan zijn grote huis, hij dacht aan zijn vrouw en zijn kinderen. En hij voelde zich eenzaam, en alleen gedragen door het belang, dat hij stelde in zijn werk. Het was hem alles in zijn leven. Het vulde al zijn uren. Er over denkende sliep hij in, zijn eerste gedachte was voor het een of ander gewestelijk belang.
In dit ogenblik, moe van het cijferen, opademende in de wind, ademde hij tegelijk met de frisheid van de zee de weemoed van de zee in, de geheimzinnige weemoed der Indische zeeën, de opspokende weemoed der zeeën van Java; de weemoed, die aanruist van verre als op suizende wieken van geheimzinnigheid. Maar zijn natuur was niet om zich over te geven aan mysterie. Hij ontkende het mysterie. Het was er niet: er was alleen de zee en de wind, die fris was. Er was alleen de walm van die zee, als iets van vis en van bloemen en zeewier; walm, die de frisse wind uitwoei. Er was alleen het ogenblik van herademing, en wat hij, onafweerbaar, voor geheimzinnige weemoed voelde toch sluipen in zijn, die avond, wat weke gemoed, dacht hij te zijn om zijn huislijke kring, die hij liever wat nauwer gevoeld had, dichter sluitende om wat in hem was vader en echtman. Was er van weemoed nog iets, dan was het dat. Uit de zee kwam het niet; uit de lucht aan, van verre niet. Hij gaf zich niet over aan een allereerste sensatie van wonderlijkheid... En hij plantte zich steviger, welfde zijn borst, richtte-op zijn flinke, militaire kop en snoof de walm in en de wind...
De hoofdoppasser, neergehurkt, met zijn gloei-vuurtouw in de hand, gluurde aandachtig op naar zijn heer, als dacht hij: wat doet hij hier zo vreemd te staan bij de vuurtoren... Zo vreemd, die Hollanders... Wat denkt hij nu... Waarom doet hij zo... Juist op dit uur op deze plek... De zeegeesten waren nu om... Er zijn kaaimannen onder het water, en iedere kaaiman is een geest... Zie, daar heeft men aan ze geofferd, pisang en rijst en dèndèng en een hard ei op een vlotje van bamboe; onderaan bij het voetstuk van de vuurtoren... Wat doet de Kandjeng Toean nu hier... Het is hier niet goed, het is hier niet goed... tjelaka, tjelaka... En zijn spiedende ogen gleden op en neer langs de brede rug van zijn heer, die maar stond en uitzag... Waar zag hij naar toe...? Wat zag hij aanwaaien in de wind...? Zo vreemd, die Hollanders, vreemd...
De resident, plotseling, keerde zich om en liep terug, en de oppasser, opschrikkend, volgde hem, blazende-aan de punt van zijn vuurtouw. De resident liep de zelfde weg terug; nu zat er een heer in de societeit, die groette, en een paar jongelui in het wit wandelden in de Lange Laan. De honden blaften.
Toen de resident de ingang naderde van het residentie-erf, zag hij vóor, aan de andere ingang, twee witte figuren, een man en een meisje, die zich echter uitwisten in de nacht onder de waringins. Hij ging recht naar zijn kantoor; een andere oppasser naderde en hij gaf hem pet en stok. Dadelijk zette hij zich aan zijn schrijftafel. Hij kon nog een uur werken, vóor het diner.
II
Meerdere lichten waren opgestoken. Eigenlijk waren overal lichten ontstoken, maar in de lange, brede galerijen was het maar even licht. Op erf en in huis brandden zeker niet minder dan twintig, dertig petroleumlampen in kronen en lantarens, maar het was niet meer dan vage lichtschemer, die geel waasde door het huis. Een stroom van maneschijn vloot in de tuin, deed de bloempotten opblanken, tintelde in de vijver, en tegen de blanke lucht waren de waringins als mollig fluweel.
De eerste gong voor het diner was geslagen. In de voorgalerij wipte een jonge man op een wipstoel, op en neer, de handen achter het hoofd, zich vervelend. Een jong meisje, neuriënd, liep door de middengalerij, als in afwachting. Het huis was gemeubileerd volgens het conventionele type van residentie-woningen in het binnenland, plechtig en banaal. De marmeren vloer van de voorgalerij spiegelde gladwit; hoge palmen in potten stonden tussen de pilaren; om marmeren tafels rijden zich wipstoelen. In de eerste binnengalerij, die in de breedte evenwijdig liep aan de voorgalerij, stonden stoelen gerijd tegen de wand, als voor een eeuwige receptie. De tweede binnengalerij, die zich uitstrekte in de lengte, vertoonde aan het einde, daar waar zij zich weer verbreedde tot een galerij in de breedte, een reusachtige rode satijnen portiere aan gouden kroonlijst. In de witte vlakken tussen de deuren der kamers hingen óf spiegels in gouden lijst, staande op marmeren consoles, óf lithogravures, - schilderijen, zoals men in Indië zegt - Van Dijck te paard, Paul Veronese op de trappen van een Venetiaans paleis, ontvangen door een Doge; Shakespeare aan het hof van Elizabeth, en Tasso aan het hof van Este -; maar in het grootste vak hing in een koningsgekroonde lijst een grote ets; portret van koningin Wilhelmina in kroningsornaat. In het midden der middengalerij was een rood satijnen ottomane, bekroond door een palm. Verder vele stoelen en tafels, grote lampekronen overal. Alles was netjes onderhouden en van een pompeuze banaliteit, een onhuislijke afwachting van de eerst volgende receptie, zonder een enkel intiem hoekje. In het halflicht der petroleumlampen - in elke kroon was éen lamp ontstoken - strekten de lange, brede, wijde galerijen zich in een lege verveling uit.
De tweede gong sloeg. In de achtergalerij was de te lange tafel - als steeds wachtende gasten - gedekt voor drie personen. De spen en een zestal jongens stonden in afwachting bij de dientafels en de twee buffetten. De spen begon reeds borden met soep te vullen, en een paar van de jongens plaatsten de drie borden soep al op tafel, op de gevouwen servetten, die op de borden lagen. Toen wachtten zij weer af, terwijl de soep lichtjes dampte. Een andere jongen vulde de drie waterglazen met grote brokken ijs.
Het jonge meisje was nader gekomen, neuriënd. Zij was misschien zeventien jaar, en zij leek op haar gescheiden moeder: de eerste vrouw van de resident, een mooie nonna, die nu te Batavia woonde, en, naar men zeide, een stil speelhuis hield. Zij had een olijfbleke tint, met soms even de blos van een vrucht; zij had mooi zwart haar, dat natuurlijk kroesde aan haar slapen, en in een zeer grote wrong was vastgestoken, haar zwarte pupillen met vonkel-iris dreven in een vochtig blauwwit, waarom zware wimpers speelden, op en neer, op en neer. Haar mondje was klein en een beetje dik en haar bovenlip donsde even met een donker zweempje van haar. Zij was niet groot, en al te vol van vorm, als een haastige roos, die te snel openbloeit. Zij droeg een witte piqué rok en een witte linnen blouse met entredeux, en zij had om haar hals een schelgeellint, dat heel aardig stond bij haar olijfbleekte, die soms opbloosde, plotseling, als met een stroom van bloed.
De jonge man uit de voorgalerij was aangeslenterd. Hij leek op zijn vader, groot, breed, blond, met een dikke blonde snor. Hij was nauwlijks drie-en-twintig jaar, maar hij zag er wel vijf jaar ouder uit. Hij droeg een wit pak van Russisch linnen, maar met een boordje en een das. Eindelijk kwam ook Van Oudijck; zijn besliste trap naderde aan, als had hij het altijd druk, als kwam hij nu even eten tussen zijn werk door. Alle drie zetten zich zonder een woord en lepelden de soep.
- Hoe laat komt mama morgen? vroeg Theo.
- Om half twaalf, antwoordde Van Oudijck, en zich wendende tot zijn lijfjongen, achter zich:
- Kario, denk er om, dat de njonja besar morgen om half twaalf afgehaald moet worden van het station.
- Kandjeng... fluisterde Kario.
Een gerecht van vis werd rondgediend.
- Doddy, vroeg Van Oudijck: met wie was je zoëven aan het hek?
Doddy keek haar vader langzaam, verwonderd aan, met haar vonkel-irissen.
- Aan... het hek? informeerde zij langzaam, met een zeer mollig accent.
- Ja.
- Aan... het hek...? Met niemand... Met Theo misschien.
- Was jij met je zuster aan het hek? vroeg Van Oudijck. De jongen fronste zijn dikke blonde brauwen.
- Kan wel... weet niet... herinner me niet...
Zij zwegen alle drie. Zij haastten het diner af, zich vervelende aan tafel. De vijf, zes bedienden, in witte baadjes met rode linnen omslagen, liepen zacht op de platte tenen, bedienden vlug en geruisloos. Men at nog biefstuk met sla, en pudding, en vruchten.
- Eeuwig biefstuk... mopperde Theo.
- Ja, die kokkie! lachte Doddy met haar keellachje. Zij geef altijd biefstuk, als mama niet is; kan haar niet schelen, als mama niet is. Zij verzint niet. Te erg toch...
Zij hadden in twintig minuten gegeten, toen Van Oudijck weer ging naar zijn kantoor. Doddy en Theo slenterden naar voren.
- Vervelend... gaapte Doddy. Kom, wij biljarten?
In de eerste binnengalerij, achter de satijnen portiere, stond een klein biljart.
- Kom dan, zei Theo.
Zij speelden.
- Waarom moest ik samen met je aan het hek geweest zijn?
- Ach... té! zei Doddy.
- Nu, waarom?
- Pa hoef niet te weten.
- Met wie was je dan? Met Addy?
- Natuurlijk! zei Doddy. Zeg, is Stadsmuziek vanavond?
- Ik geloof wel.
- Kom, wij gaan, ja?
- Neen, ik heb geen lust.
- Ach, waarom dan niet?
- Ik heb geen lust.
- Ga mee nou?
- Neen.
- Met mama... jij wil wel, ja? zei Doddy boos. Ik weet heel goed. Met mama jij gaat altijd naar Stadsmuziek.
- Wat weet jij... klein nest!
- Wat ik weet? lachte zij. Wat ik weet? Ik weet wat ik weet.
- Hé! plaagde hij, een carambole mikkende met een ruwe stoot. Jij met Addy, hè!
- Nou, en jij met mama...
Hij haalde de schouders op.
- Je bent gek, zeide hij.
- Hoef niet te verbergen voor mij! Trouwens, iedereen zegt.
- Laat ze zeggen.
- Te erg toch van jou!
- Ach, stik...
Hij smeet zijn keu driftig neer en ging naar voren.
Zij volgde hem.
- Zeg Theo..., niet boos zijn dan. Ga nou mee naar Stadsmuziek.
- Neen...
- Ik zal niets meer zeggen, smeekte zij lief.
Zij was bang, dat hij boos zou blijven, en dan had ze niets en niemand; dan verveelde ze zich helemaal.
- Ik heb Addy beloofd, en ik kan toch niet alleen gaan...
- Nu, als je dan niet meer zulke idiote dingen zegt...
- Ja, ik beloof. Lieve Theo, ja, kom dan...
Zij was al in de tuin.
Van Oudijck verscheen op de drempel van zijn kantoor, waarvan de deur altijd open stond, maar dat met een groot schutsel afgesloten was van de binnengalerij.
- Doddy! riep hij.
- Ja, pa?
- Zou je morgen kunnen zorgen voor wat bloemen in mama's kamer?
Zijn stem was bijna verlegen en zijn ogen knipten. Doddy hield haar gegichel in.
- Goed pa... Ik zal zorgen.
- Waar ga je naar toe?
- Met Theo... naar Stadsmuziek.
Van Oudijck werd rood, boos.
- Naar de Stadsmuziek? Maar dat kan je me toch wel vragen! riep hij plotseling razend.
Doddy pruilde.
- Ik hou er niet van, dat je uitgaat, zonder dat ik weet waarheen. Vanmiddag ook was je weg, toen ik met je wandelen wou!
- Nu, soedah dan maar, zei Doddy en huilde.
- Je kan wel gaan, zei Van Oudijck: maar ik wil hebben, dat je het me eerst vraagt.
- Neen, ik heb geen trek meer! huilde Doddy. Soedah maar. Geen Stadsmuziek.
In de verte, in de tuin van Concordia hoorden zij de eerste klanken.
Van Oudijck was teruggegaan in zijn kantoor. Doddy en Theo wierpen zich in twee wipstoelen in de voorgalerij, en wipten met razernij, met de stoelen schaatsende over het gladde marmer.
- Kom, zei Theo. Laten we maar gaan. Addy wacht je.
- Neen, mokte zij. Kan niet schelen. Ik zal Addy morgen zeggen, papa zo onaardig. Hij bederft mijn plezier. En... ik zet geen bloemen in mama's kamer.
Theo grinnikte.
- Zeg, fluisterde Doddy. Die papa... hè? Zo verliefd, altijd. Hij had een kleur toen hij mij vroeg van die bloemen. Theo grinnikte nog eens, en neuriede met de verre muziek mee.
III
De volgende morgen ging Theo om half twaalf met de landauer zijn stiefmoeder afhalen van het station.
Van Oudijck, die, op dat uur, meestal de politierol afdeed, had zijn zoon niets gezegd, maar toen hij uit zijn kantoor Theo in het rijtuig zag stappen en wegrijden, vond hij het aardig van de jongen. Hij had Theo als kind afgodisch liefgehad, had hem als knaap nog bedorven, was met hem als jonge man dikwijls in botsing gekomen, maar nog dikwijls flakkerde de oude vaderpassie onweerstaanbaar op. Hij had zijn zoon op dit ogenblik meer lief dan Doddy, die die morgen nog steeds geboudeerd had, en geen bloemen in de kamer zijner vrouw gezet had, zodat hij aan Kario had bevolen voor bloemen te zorgen. Het speet hem nu in dagen geen vriendelijk woord tegen Theo gezegd te hebben en hij nam zich voor, straks dat toch waarlijk weer eens te doen. De jongen was wispelturig: in drie jaren was hij employé geweest op zeker vijf koffie-ondernemingen; nu was hij weer buiten betrekking, en hing thuis, zoekende naar iets anders.
Theo, aan het station, wachtte enkele minuten, toen de trein van Soerabaia aankwam. Hij zag mevrouw Van Oudijck dadelijk, en de twee kleine jongens, René en Ricus, in tegenstelling van hem twee kleine sinjo's, die zij van Batavia meebracht voor hun grote vacantie, en haar lijfmeid Oerip.
Theo hielp zijn stiefmoeder uitstijgen, de stationschef groette eerbiedig de vrouw van zijn resident. Zij knikte met haar glimlach terug, als een welwillende koningin. Zij duldde met haar glimlach, éven dubbelzinnig, dat haar stiefzoon haar kuste op de wang. Zij was een grote vrouw, blank, blond, over de dertig, met die lome statigheid van in Indië geboren vrouwen, dochters van geheel Europese ouders. Zij had iets, waarnaar men dadelijk keek. Het was om haar blanke vel, haar teint van melk, haar heellicht blond haar, haar ogen, vreemd grauw, soms even geknepen en altijd met een uitdrukking van dubbelzinnigheid. Het was om haar eeuwige glimlach, soms heel lief en innemend, en dikwijls onuitstaanbaar, vervelend. Men wist niet bij een eerste zien, of zij achter die blik iets borg, enige diepte, enige ziel, of dat het maar was kijken en lachen, en beide met die lichte dubbelzinnigheid. Spoedig echter merkte men óp haar glimlachend afwachtende onverschilligheid, als kon haar heel weinig schelen, als stelde zij geen belang, zelfs al zou de hemel boven haar instorten: als zou zij, glimlachend, dat wel aan zien komen. Haar tred was langzaam. Zij droeg een roze piqué rok en bolero, een wit satijnen lint om het middel, en een witte matelot met wit satijnen strik; en haar zomers reispakje was zeer correct, vergeleken bij dat van een paar andere dames op het perron: drentelende in stijf uitgestreken "bébé's" - als nachtjurken - met tule hoeden en pluimen daarboven! - en in haar zeer Europese verschijning was misschien alleen die langzame pas, die lome statigheid de Indische nuance, dat, wat haar onderscheidde van een vrouw, pas uit Holland. Theo had haar arm toegebogen en zij liet zich leiden naar het rijtuig - "de wagen" - gevolgd door de twee donkere broertjes. Zij was twee maanden afwezig geweest. Zij had een knik over en een glimlach voor de stationschef; zij had een blik over voor de koetsier en de staljongen en zij zette zich langzaam, loom, blanke sultane, en steeds met haar glimlach, neer. De drie stiefzoons volgden haar; de meid reed achter in een karretje. Mevrouw Van Oudijck zag eens naar buiten en vond dat Laboewangi er nog steeds uitzag als vroeger. Maar zij zeide niets. Zij trok zich langzaam weer terug en leunde achteruit. Haar wezen vertoonde een zekere tevredenheid, maar vooral die lichtende en lachende onverschilligheid, als kon niets haar deren, als was zij beschermd door een vreemde macht. Er was in deze vrouw iets sterks, iets machtigs van louter onverschilligheid: er was in haar iets onkwetsbaars. Zij zag er uit, of het leven geen vat op haar zou hebben, niet op haar teint en niet op haar ziel. Zij zag er uit of zij niet kon lijden en het was of zij glimlachte en zo tevreden was, omdat er voor haar geen ziekte, geen leed, geen armoede, geen ellende bestond. Een uitstraling van glanzend egoïsme was om haar. En toch was zij, meestal, beminnelijk. Zij nam meestal in, zij palmde in, omdat zij zo mooi was. Deze vrouw, met haar glinsterende zelftevredenheid, was bemind, hoe men verder ook over haar sprak. Als zij sprak, als zij lachte, ontwapende zij, en meer nog, was zij innemend. Het was trots, en, - misschien - juist óm haar onpeilbare onverschilligheid. Zij stelde belang alleen in haar eigen lichaam en in haar eigen ziel: ál het andere, ál het andere was haar totaal onverschillig. Onmachtig iets van haar ziel te geven, had zij nooit gevoeld dan voor zichzelve, maar zo harmonisch en zo innemend glimlachend, dat men haar altijd beminnelijk vond, aanbiddelijk. Het was misschien om de lijn van haar wangen, de vreemde dubbelzinnigheid in haar blik, haar onuitwisbare glimlach, de gratie van haar figuur, de klank van haar stem en haar altijd zo juiste woord. Als men haar eerst onuitstaanbaar vond, merkte zij dat niet op en werd juist allerinnemendst. Als men jaloers was, merkte zij dat niet op en prees juist, intuïtief, onverschillig weg - het kon haar totaal niet schelen - wat een ander in zich minder vond. Zij kon met het liefste gezicht een toilet bewonderen, dat zij afschuwelijk vond, en uit louter onverschilligheid was zij later niet vals en brak zelfs later die bewondering niet af. Haar mateloze onverschilligheid was haar levenskracht. Zij had zich aangewend alles te doen waar zij lust toe had, maar zij deed het met haar glimlach en, wat men ook praatte achter haar rug, zij bleef zó correct, zo betoverend, dat men het haar vergaf. Zij was niet bemind als men haar niet zag, maar zodra men haar zag, had zij alles weer gewonnen. Haar man bad haar aan, haar stiefkinderen - eigen kinderen had zij niet - konden het niet helpen, onwillekeurig, tegen zich in, van haar te houden; haar bedienden waren allen onder haar invloed. Zij bromde nooit, zij beval met een woord, en het gebeurde. Was er iets verkeerd, brak er iets, haar glimlach bestierf even... en dat was alles. En was haar eigen ziels- en lichaamsbelang in gevaar, dan wist zij het meestal af te wenden en nog zo voordelig mogelijk te schikken, zonder dat de glimlach zelfs bestierf. Maar zij had dit persoonlijk belang zo om zich geserreerd, dat zij de omstandigheden ervan meestal beheerste. Een noodlot scheen op deze vrouw niet te drukken. Haar onverschilligheid was glanzend, was geheel onverschillig - zonder minachting, zonder afgunst, zonder emotie: haar onverschilligheid was eenvoudig onverschilligheid. En de tact, waarmee zij instinctmatig, zonder ooit veel na te denken, haar leven leidde en beheerste, was zo groot, dat, misschien, als zij alles verloren zou hebben wat zij nu bezat - haar schoonheid, haar positie, bijvoorbeeld - zij nog onverschillig zou kunnen blijven, in haar onmacht om te lijden. Het rijtuig reed het residentie-erf in, juist toen de politierol begon. De Javaanse officier-van-justitie - hoofddjaksa - was reeds bij Van Oudijck in het kantoor: de djaksa en de politie-oppassers leidden de stoet der beklaagden: de inlanders hielden elkaar aan een punt van hun baadje vast en liepen op een trippelgangetje, maar de enkele vrouwen er tussenliepen alleen: onder een waringin-boom, op enige afstand van de trappen van het kantoor hurkten zij allen neer, in afwachting. Een oppasser, horende de klok in de voorgalerij, sloeg half-een met de grote bel bij het oppassershuis. De luide slag trilde als een bronzen tong door de middag-blakende hitte na. Maar Van Oudijck had het rijtuig horen aanrollen en hij liet de hoofd-djaksa wachten: hij ging zijn vrouw tegemoet. Zijn gezicht klaarde op: hij kuste haar teder, met effusie, informeerde hoe zij het maakte. Hij was blij de jongens terug te zien. En zich herinnerende wat hij over Theo had nagedacht, had hij voor zijn oudste een vriendelijk woord. Doddy, nog met haar bouderend dik mondje, zoende mama. Zij liet zich zoenen, gelaten, glimlachend, zij kuste kalm terug, zonder koelheid, zonder warmte, juist doende wat zij doen moest. Haar man, Theo, Doddy bewonderden haar zichtbaar, zeiden, dat zij er goed uitzag; Doddy vroeg waar mama dat aardige reispakje vandaan had? In haar kamer, zag zij de bloemen en daar zij wist, dat Van Oudijck hiervoor steeds zorgde, aaide zij even haar man op de arm. De resident ging terug naar zijn kantoor, waar de hoofd-djaksa wachtte; het verhoor begon. Door de politie-oppasser opgeduwd kwamen de beklaagden, een voor een, hurken op de trap, voor de drempel van het kantoor, terwijl de djaksa hurkte op een matje, de resident zat voor zijn schrijftafel. Terwijl de eerste strafzaak behandeld werd, luisterde Van Oudijck nog naar de stem zijner vrouw in de middengalerij, toen de beklaagde zich verdedigde met de luide kreet van:
- Bot'n! Bot'n!
De resident fronste zijn wenkbrauwen en luisterde met aandacht... In de middengalerij zwegen de stemmen. Mevrouw Van Oudijck was zich gaan uitkleden, om sarong en kabaai aan te doen voor de rijsttafel. Zij droeg het coquet: een Solose sarong, een transparante kabaai, juwelen speldjes; witte leren muiltjes met een klein wit strikje er op. Zij was juist klaar, toen Doddy aan haar deur kwam en zeide: - Mama, mama... daar is mevrouw Ván Does!
De glimlach bestierf even: de zachte ogen zagen donker...
- Ik kom dadelijk, kind...
Maar zij ging zitten en Oerip, de lijfmeid, sprenkelde parfum op haar zakdoek. Mevrouw Van Oudijck vlijde zich uit, en mijmerde wat na, in de loomheid na haar reis. Zij vond Laboewangi wanhopig vervelend na Batavia, waar zij twee maanden gelogeerd had bij kennissen en familie, vrij en zonder verplichtingen. Hier, als residentsvrouw, had zij er enige, ook al schoof zij de meeste van zich af, op de vrouw van de secretaris. Zij was in zichzelve moe, ontstemd, ontevreden. Trots haar algehele onverschilligheid was zij menselijk genoeg om haar stille buien te hebben, waarin zij alles verwenste. Dan verlangde zij ineens iets dols te doen, dan verlangde zij, vaag-weg, naar Parijs... Zij zou dat nooit aan iemand laten merken. Zij kon zich bedwingen, en ook nu bedwong zij zich, voor zij zich weer vertoonde. Haar vaag Bacchantisch verlangen versmolt in haar loomheid. Zij strekte zich gemakkelijker, zij mijmerde, met bijna geloken ogen. Door haar bijna bovenmenselijke onverschilligheid krulde soms een vreemde fantasie, verborgen voor de wereld. Het liefst leefde zij in haar kamer haar leven van geparfumeerde verbeelding, vooral na haar maand in Batavia... Na zo een maand van perversiteit had zij behoefte haar vagebonderende roze verbeelding te laten krullen en wolken voor haar knippende ogen. Het was in haar verder geheel dorre ziel als een onwerkelijke bloei van azuren bloemetjes, die zij kweekte met het enige sentiment, dat zij ooit zou kunnen voelen. Zij voelde voor geen mens, maar zij voelde voor die bloemetjes. Zo te mijmeren vond zij heerlijk. Wat zij had willen zijn, als zij niet behoefde te zijn, die zij was... De fantasie wolkte: zij zag een wit paleis en overal cupidootjes...
- Mama... kom dan toch. Daar is mevrouw Van Does, mevrouw Van Does, met twee stopflessen... Het was Doddy aan haar deur. Léonie van Oudijck stond op en ging naar de achtergalerij, waar de Indische dame zat, de vrouw van de postkommies. Zij hield koeien en verkocht melk. Maar zij deed ook in andere handel. Zij was een dikke dame, even wat bruin, met vooruitstekende buik; zij droeg een heel eenvoudig kabaaitje met een smal kantje er om heen, en haar dikke handjes streelden de buik. Voor zich op tafel had zij twee stopflesjes staan, waarin iets glinsterde. Wat was dat van suiker, kristal, dacht mevrouw Van Oudijck vaag, toen zij zich plotseling herinnerde... Mevrouw Van Does zeide, dat zij blij was haar weer terug te zien. Twee maanden weg van Laboewangi. Toch te erg, die mevrouw Van Oudijck maar? En zij wees op de stopflessen. Mevrouw Van Oudijck glimlachte. Wat was het?
Geheimzinnig legde mevrouw Van Does een dik, naar achter omkrullend, slap geleed wijsvingertje tegen een der stopflessen aan, en zei, fluisterend:
- Inten-inten!
- Zo? vroeg mevrouw Van Oudijck.
Doddy, met grote ogen, en Theo, geamuseerd, tuurden naar de twee stopflesjes.
- Ja... U weet wel, van die dame... van wie ik u gesproken...
Haar naam wil zij niet noemen. Kassian, vroeger haar man een grote piet, en nu... ja toch zo ongelukkig; zij heeft niets meer. Alles op. Alleen nog deze twee flesjes. Al haar juwelen heeft zij uit laten nemen en de stenen bewaart zij hier in. Alles geteld. Zij vertrouwt mij toe, om te verkopen. Door mijn melk heb ik relatie. Wil u zien, mevrouw Van Oudijck, ja? Mooie stenen! De residèn, hij koop voor u, nu u weer thuis is. Doddy, geef mij een zwart lapje; als fluweel, is het beste...
Doddy wist een stukje zwart fluweel door de djaït te laten zoeken in een kast met naairommel. Een jongen bracht glazen met tamarinde-stroop en ijs. Mevrouw Van Does, in haar slap-gelede vingertjes een tangetje, legde een paar stenen voorzichtig op het fluweel...
- Ja!! riep zij uit. Zie toch die water, mevrouw! Pr... achtig!
Mevrouw Van Oudijck zag toe. Zij glimlachte allerliefst en zei toen met haar zachte stem:
- Die steen is vals, lieve mevrouw.
- Vals?? kreet mevrouw Van Does. Vals??
Mevrouw Van Oudijck zag naar de andere stenen.
- En die andere, mevrouw... - zij boog aandachtig, en zeide toen zo lief mogelijk:
- Die andere... zijn... ook vals...
Mevrouw Van Does zag haar aan, met plezier. Toen zei ze tegen Doddy en Theo, leuk:
- Die mama van jullie... pinter! Zij ziet dadelijk!
En zij lachte luid uit. Allen lachten. Mevrouw Van Does deed de kristallen weer in de fles.
- Een aardigheid, ja, mevrouw? Ik wou alleen maar zien of u verstand had. Natuurlijk u geloof mijn erewoord: ik zou u nooit verkopen... Maar deze... kijk...
En plechtig nu, bijna godsdienstig, opende zij het andere stopflesje, waarin slechts enkele stenen waren: ze legde ze met liefde op het zwarte fluweel.
- Die is prachtig... voor een leontine, zei mevrouw Van Oudijck, turende op een zeer grote briljant.
- Nou... wat zeg ik u? vroeg de Indische dame.
En zij tuurden allen op de briljanten, op de echte, die uit het "echte" stopflesje, en hielden ze voorzichtig tegen het licht.
Mevrouw Van Oudijck zag, dat zij alle echt waren.
- Ik heb heus geen geld, lieve mevrouw! zeide zij.
- Deze grote... voor leontine ... zeshonderd gulden... een koopje: ik verzeker u, mevrouw!
- O, mevrouw, neen nooit!
- Hoeveel dan? U doet goed werk als u koop. Kassian, haar man vroeger grote piet. Raad van Indië.
- Twee-honderd...
- Ja, kassian!! Twee-honderd!
- Twee-honderd-vijftig, maar niet meer. Ik heb heus geen geld.
- De residèn... fluisterde mevrouw Van Does, Van Oudijck bespeurende, die, nu de rol was afgelopen, naar de achtergalerij kwam. De residèn... hij koop voor u! Mevrouw Van Oudijck glimlachte en keek naar de flonkerende druppellicht op het zwarte fluweel. Zij hield van juwelen, zij was niet geheel onverschillig voor briljanten. En zij keek op naar haar man.
- Mevrouw Van Does laat ons een hele boel moois zien, zeide zij strelend.
Van Oudijck voelde een schok in zijn borst. Het was hem nooit aangenaam mevrouw Van Does in zijn huis te zien. Zij had altijd wat te verkopen: de ene keer gebatikte spreien, de andere keer geweven muiltjes, een derde keer prachtige maar heel kostbare tafellopers, met goudgebatikte bloemen op geel geglansd linnen. Mevrouw Van Does bracht altijd iets mee, stond altijd in betrekking met vrouwen van vroegere "grote pieten", die zij hielp verkopen, voor heel hoge percenten. Een morgenvisite van mevrouw Van Does kostte hem iedere keer minstens enige rijksdaalders, en heel dikwijls vijftig gulden, want zijn vrouw had een kalme rust om altijd te kopen dingen, die zij niet nodig had, maar die zij te onverschillig was om niét van mevrouw Van Does te kopen. Hij zag niet dadelijk de twee stopflessen, maar hij zag de druppel licht op het zwarte fluweel, en hij begreep, dat de visite deze keer meer dan vijftig gulden zou kosten, als hij niet heel sterk was.
- Mevrouwtje! schrikte hij. Het is het einde van de maand; briljanten kopen, dat gaat niet vandaag! En nog wel stopflessen vol! riep hij uit, met een schrik, ze nu ziende schitteren op de tafel, tussen de glazen tamarindestroop.
- Ja, die residèn! lachte mevrouw Van Does, als was een resident altijd rijk.
Van Oudijck haatte dat lachje. Zijn huishouden kostte hem iedere maand enkele slordige honderden guldens meer dan zijn traktement en hij teerde in, had schulden. Zijn vrouw bemoeide zich nooit met geldzaken; zij had vooral voor deze haar glimlachendste onverschilligheid.
Zij liet de briljant even flonkeren en de steen schoot een blauwe straal.
- Hij is prachtig... voor twee-honderd-vijftig.
- Voor drie-honderd dan, lieve mevrouw...
- Drie-honderd? vroeg zij dromerig, spelend met het juweel. Of het drie-honderd of vier- of vijf-honderd was, het was haar alles om het even. Het liet haar totaal onverschillig. Maar de steen vond zij mooi en zij was al beslist die te nemen, voor hoeveel ook. En daarom legde zij de steen rustig neer en zei: - Neen, lieve mevrouw, heus... de steen is te duur, en mijn man heeft geen geld.
Zij had dat zo lief gezegd, dat haar bedoeling niet was te raden. Zij was aanbiddelijk van zelfontzegging, terwijl zij die woorden uitsprak. Van Oudijck voelde een tweede schok in zijn borst. Hij kon zijn vrouw niets weigeren.
- Mevrouw, zeide hij. Laat de steen maar hier... voor drie-honderd gulden. Maar neem dan uw stopflessen in godsnaam mee.
Mevrouw Van Does keek jubelend op.
- Nou... wat heb ik u gezegd? Ik weet zeker, de residèn, hij koop voor u...!
Mevrouw Van Oudijck keek zacht verwijtend op.
- Maar Otto! zeide zij. Hoe is het nu toch mogelijk!
- Vind je de steen mooi?
- Ja, prachtig... maar zo veel geld! Voor éen briljant!
En zij trok de hand van haar man naar zich toe en zij duldde, dat hij haar kuste op het voorhoofd, omdathij haar een briljant had mogen kopen van drie-honderd gulden. Doddy en Theo knipoogden tegen elkaar.
IV
Léonie van Oudijck genoot steeds van haar siësta. Zij sliep maar een ogenblik, maar zij vond het heerlijk na de rijsttafel alleen in haar koele kamer te blijven, tot vijf uur, half zes. Zij las een beetje, meestal de tijdschriften van de leestrommel, maar voornamelijk deed zij niets en droomde. Het waren vage verbeeldingen, die opblauwden in haar middageenzaamheden. Niemand wist hiervan en zij hield ze zeer geheim, als een geheime zonde, als een ondeugd. Zij gaf zich veel eerder bloot - voor de wereld - waar het een liaison betrof. Ze duurden nooit lang, ze telden weinig mee in haar leven, zij schreef nooit brieven, en de gunsten, die zij verleende, gaven de bevoorrechte nooit enig recht in de dagelijkse omgang der conversatie. Zo was zij van een stille, correcte perversiteit, fysiek en moreel. Want ook haar verbeeldingen, hoe flauwtjes poëtisch ook, waren pervers. Haar meest geliefde auteur was Catulle Mendes: zij hield van al die bloemetjes van azuren sentimentaliteit, van die roze cupidootjes van affectatie, het pinkje in de lucht, de beentjes bevallig fladderend - rondom de meest verdorven motieven en thema's van afdwalende hartstocht. In haar slaapkamer hingen enkele platen: een jonge vrouw achterover op een kanten bed, en gezoend door twee stoeiende engeltjes; een ander: een leeuw met een pijl in de borst aan de voeten van een glimlachende maagd; een grote reclame-prent van odeur: een soort van bloemenimf, wier sluier aan alle kanten werd afgerukt door speelse parfumerie-cherubijntjes. Zij vond die plaat vooral prachtig, iets esthetischers kon zij zich niet voorstellen. Zij wist, dat de plaat monsterlijk was, maar zij had het nooit van zich kunnen verkrijgen het onding af te haken, ook al zag men er met schuinse ogen heen; de kennissen, haar kinderen, die in- en uitliepen in haar kamer, met de Indische gemakkelijkheid, die geen geheim maakt van het toilet. Zij kon er minuten heen staren als betoverd; zij vond het allerliefst, en haar eigen dromen geleken op die prent. Ook bewaarde zij een bonbon-doos met een keepsake plaatje, als het type van schoonheid, dat zij nog mooier vond dan zichzelve: het blosje op de wangen, de bruine brunette-ogen onder onwaarschijnlijk gouden haren, de boezem zichtbaar onder kant. Maar zij gaf zich nooit bloot in deze belachelijkheid, die zij vaag vermoedde; zij sprak nooit over die platen en doosjes, juist, omdat zij wist, dat ze lelijk waren. Maar zij vond ze mooi, zij vond ze heerlijk, zij vond ze kunst en poëzie. Zo waren haar liefste uren. Hier, te Laboewangi, dorst zij niet doen, wat zij te Batavia deed, en hier geloofde men nauwlijks wat men te Batavia vertelde. Toch verzekerde mevrouw Van Does, dat die resident, en die inspecteur - de een op reis, de ander op tournée -, en enkele dagen logerende in het residentie-huis, 's middags - gedurende de siësta - hun weg hadden gevonden naar de slaapkamer van Léonie. Maar te Laboewangi waren zulke werkelijkheden toch zeldzame intermezzo's tussen mevrouw Van Oudijcks roze middagvisioenen... Toch, deze middag scheen het...
Of zij, na een ogenblik gesluimerd te hebben en alle matheid van reis en warmte opgeklaard was van haar melkwitte teint - of zij, nu zij keek naar de stoeiende engeltjes van de parfumerie-reclame, niet met haar gedachte was bij al die roze poppetjes-tederheid, maar of zij luisterde naar buiten... Zij droeg alleen een sarong, die zij onder de armen had opgetrokken en op de borst in een wrong hield samengeknoopt.
Haar mooie blonde haren hingen los.
Haar mooie witte voetjes waren bloot, zij had haar muilen zelfs niet aangeslipt.
En zij keek door de latjes der jaloezie.
Tussen de bloempotten, die op de zijtrappen van het huis haar ramen met grote bladerenmassa's maskeerden, zag zij op een bijgebouw van vier kamers - de logeerkamers waarvan er een was bewoond door Theo.
Zij bleef een poze turen en opende toen, op een kier, de jaloezie... En zij zag, dat ook de jaloezie van Theo's kamer zich even opende...
Toen glimlachte zij; knoopte vaster de sarong, en legde zich weer te bed.
Zij luisterde.
Na een ogenblik hoorde zij het grint even knarsen onder de druk van een muil. Haar jaloeziedeuren waren, zonder gesloten te zijn, dichtgeslagen. Een hand opende ze nu voorzichtig...
Zij zag glimlachend om...
- Wat is er, Theo? fluisterde zij.
Hij kwam nader, hij was in slaapbroek en kabaai en hij zette zich op de rand van het bed en speelde met haar witte, mollige handen, en ineens zoende hij haar met razernij.
Op dit ogenblik siste er een steen door de kamer.
Zij schrikten beiden, zagen op, stonden in een ogenblik midden in het vertrek.
- Wie gooit er? vroeg zij bevende.
- Misschien een van de jongens - René of Ricus, die buiten spelen, antwoordde hij.
- Ze zijn nu nog niet op...
- Of iets, dat valt van boven...
- Het werd toch geslingerd...
- Zo dikwijls raakt er een steentje los...
- Maar dit is grint.
Zij raapte het steentje op. Hij, voorzichtig, zag naar buiten.
- Het is niets, Léonie. Het moet heus van boven zijn gevallen, uit de goot, door het raam. En toen is het weer opgesprongen. Het is niets...
- Ik ben bang, murmelde zij.
Bijna luid lachte hij en vroeg:
- Waarvoor?
Zij behoefden voor niets te vrezen. De kamer was gelegen tussen het boudoir van Léonie en twee grote logeerkamers, die alleen voor residenten, generaals en andere hooggeplaatsten werden bestemd. Aan de andere zijde der middengalerij waren de kamers van Van Oudijck, kantoor en slaapvertrek, en de kamer van Doddy, en de kamer van de jongens, Ricus en René. Léonie was dus geïsoleerd aan haar vleugel, tussen de logeerkamers in. Het maakte haar brutaal. Om dit uur was het erf geheel verlaten. Trouwens, zij was niet bang voor de bedienden. Oerip was geheel vertrouwd en kreeg dikwijls mooie geschenken: sarongs, een gouden pending; een lange diamanten kabaaispeld, die zij als een plaque van zilver en stenen droeg op de borst. Daar Léonie nooit bromde, vrijgevig was met voorschot, en een zekere schijnbare gemakkelijkheid had, - hoewel alles alleen gebeurde, zoals zij het wilde - was zij niet onbemind en hoeveel de bedienden ook van haar wisten, zij hadden haar nog nooit verraden. Het maakte haar des te brutaler. Voor een doorgang tussen slaapkamer en boudoir hing een gordijn en het was, eens voor al, afgesproken tussen Theo en Léonie, dat hij, bij enig gevaar, rustig weg zou slippen achter die portiere en zich door de tuindeur van het boudoir begeven zou naar buiten, als om de rozenpotten te bezien, die op de treden der trappen stonden. Zo zou het schijnen alsof hij van zijn eigen kamer zo juist was gekomen en maar even de rozen bezag. De binnendeuren van boudoir en slaapkamer waren gesloten, in de regel, omdat Léonie ronduit zeide, dat zij er niet van hield overvallen te worden.
Zij hield van Theo, om zijn frisse jeugd. En hier op Laboewangi, was hij haar enige ondeugd, een doortrekkende inspecteur en de roze engeltjes niet meegerekend. Zij waren nu als stoute kinderen, zij lachten stil, in elkanders armen. Maar zij moesten voorzichtig zijn. Het was vier uur geworden en zij hoorden in de tuin de stemmen van René en Ricus. Zij namen het erf in bezit voor hun vacantie. Dertien en veertien jaar, genoten zij van de grote tuin. Zij liepen in een blauw gestreept katoenen buisje en broek, op blote voeten en gingen naar de paarden, naar de duiven zien: ze plaagden Doddy's kakatoe, die op het dak der bijgebouwen trippelde. Zij bezaten een tamme badjing. Zij maakten jacht op tokkè's, die zij schoten met een soempitan, tot grote ergernis der bedienden, omdat de tokkè's geluk aanbrengen. Zij kochten aan het hek katjang-goreng van een voorbijgaande Chinees, en scholden hem daarna uit:
- Katja... áng golengan! Tjina mampoes! nadoende zijn accent van kè. Zij klommen in de flamboyant en wiegelden als apen aan de takken. Zij wierpen de katten met stenen; zij hitsten de honden der buren op tot zij zich hees blaften en elkaar de oren stuk beten. Zij knoeiden met water bij de vijver, maakten zich ontoonbaar van modder en vuil en waagden het de Victoria Regia's te plukken, wat zij volstrekt niet mochten doen. Zij onderzochten de stevigheid der groene vlakke Victoriabladeren - als presenteerbladen - en meenden er op te kunnen staan en zij dompelden onder... Dan namen zij lege flessen, plaatsten die op een rij en kegelden met keistenen. Dan visten zij uit de sloot terzijde van het huis met een bamboe allerlei naamloze drijvende dingen op en smeten er elkaar mee. Hun fantasie in uitvindingen was onuitputtelijk, en het uur der siësta was hun uur. Zij hadden een tokkè gevangen en een kat en lieten ze vechten met elkaar: de tokkè opende zijn muil van kleine krokodil en hypnotiseerde de kat, die afdroop, zich wegtrok uit de zwarte kraalblik, - met hoge rug, de haren steil van angst. En daarna aten de jongens zich ziek aan onrijpe manga's. Léonie en Theo hadden door de jaloezie bespied het gevecht van kat en tokkè en zagen de jongens nu rustig in het gras de onrijpe manga's eten. Maar het was het uur, dat de gestraften - een twaalftal - werkten op het erf, onder toezicht van een oude, deftige mandoor, met een rietje in de hand. Zij haalden water in tonnen en gieters van Devoe's-petroleumblikken gemaakt, soms ook in petroleumblikken zelve, en zij begoten de planten, het gras, het grint. Zij veegden dan het erf schoon met een luid geruis van lidi-bezems.
René en Ricus wierpen achter de mandoor, voor wie ze bang waren, de gestraften met afgeknabbelde manga's en scholden ze uit en trokken grimassen en apentronies. Doddy kwam aan, uitgeslapen, spelende met haar kakatoe, die zij droeg op de hand en die kaka! kaka! riep, en zijn gele kuif opzette met snelle nekbewegingen.
En Theo, nu, sloop achter het gordijn weg in het boudoir en, toen een ogenblik de jongens elkaar naliepen in een bombardement van manga's, en Doddy naar de vijver wandelde met haar sleeppas van heupwiegelende kreole, de kakatoe op haar hand, - kwam hij te voorschijn van achter de planten, rook aan de rozen, en deed of hij in de tuin had gewandeld, voor hij zijn bad ging nemen.
V
Van Oudijck voelde zich aangenamer gestemd, dan hij zich in weken gevoeld had; in zijn huis scheen na die twee maanden saaie verveling weer iets van familieleven te komen; hij vond het prettig zijn twee rakkers van jongens in de tuin te zien ravotten, ook al deden zij allerlei kwaad, en vooral was hij heel tevreden, dat zijn vrouw weer terug was. Zij zaten nu in de tuin, in négligé, thee te drinken, om half zes. Het was toch heel vreemd, maar Léonie vulde dadelijk het grote huis met een zekere comfortabelere gezelligheid, omdat zij er zelve van hield. Dronk Van Oudijck anders vlug een kop thee, die Kario hem bracht in zijn slaapkamer, vandaag al was die middagthee een prettig uur; er waren rieten stoelen en lange mailstoelen voor buiten gezet; op een rieten tafel stond het theeblad; er was pisang goreng gebakken, en Léonie, in een Japanse, roodzijden kimono, haar blonde haar los, lag in een rieten stoel en speelde met de kaka van Doddy en voerde de vogel met gebak. Het was dadelijk heel anders, vond Van Oudijck, zijn vrouw gezellig, lief, mooi, nu en dan iets vertellende van de kennissen te Batavia, van de races te Buitenzorg, van een bal bij de Gouverneur, van de Italiaanse opera; de jongens, vrolijk, gezond, jolig, hoe vies ook van hun spelen - en hij riep ze eens bij zich, en ravotte even met ze en vroeg naar het Gymnasium - zij zaten in de tweede klasse; en zelfs Doddy en Theo schenen hem anders toe, Doddy snoezig en zangerig rozen nu plukkende aan de bloempotten en Theo, spraakzaam, met mama, en zelfs met hém. Een prettige trek speelde om Van Oudijcks snor. Hij zag er nog jong uit in zijn gezicht en nauwelijks scheen hij acht-en-veertig. Hij had een scherpe, levendige blik van vlug opzien, van acuut doordringen. Hij was wat zwaar en had aanleg nog zwaarder te worden, maar toch had hij behouden iets vlug militairs, en op zijn tournée's was hij onvermoeid; hij was een uitstekend ruiter. Groot en fors, tevreden met zijn huis en zijn gezin, had hij iets prettigs van stevige mannelijkheid, en lachte om zijn snor de joviale trek. En zich latende gaan, zich uitstrekkende in zijn rieten stoel, drinkende zijn kopje thee, sprak hij uit de gedachten, die meestal in zulk een uur van tevredenheid bij hem opwolkten. Ja, het was toch maar een goed leven in Indië, bij het Binnenlands Bestuur. Tenminste voor hem was het altijd goed geweest, maar hij had ook een beetje geboft. Nu was het wanhopig met de promotie; hij kende tal van assistent-residenten, die zijn tijdgenoten waren en die in jaren nog geen kans hadden resident te zullen worden. En dat was zeker een wanhopige toestand, zo lang te blijven in een betrekking van ondergeschiktheid aan een superieur, op die leeftijd nog bevelen af te moeten wachten van een resident. Hij had dat nooit kunnen uithouden, op zijn acht-en-veertigste jaar! Maar resident zijn, zelf bevelen, zelf besturen een gewest, groot en belangrijk als Laboewangi, met zo uitgebreide koffie-cultuur, zo talrijke suikerfabrieken, met zó vele erfpachtspercelen - dat was een genot, dat was leven: een leven groots en ruim als geen ander, en waarmee in Holland geen betrekking en leven te vergelijken was. Zijn grote verantwoordelijkheid was zijner heersersnatuur een genot. Zijn werkkring was gevarieerd: kantoorwerk en tournée; de belangen van zijn werk waren gevarieerd: men sufte niet dood op zijn kantoorstoel: na het bureau was er de vrije natuur, en het was altijd afwisseling, altijd iets anders. Hij hoopte over anderhalf jaar resident eerste-klasse te kunnen worden, als er een eerste-klasse gewest open kwam: Batavia, Semarang, Soerabaia, of een van de Vorstenlanden. En toch zou het hem dan aan zijn hart gaan, Laboewangi te moeten verlaten. Hij was gehecht aan zijn gewest, waarvoor hij vijf jaar al zoveel gedaan had, dat in die vijf jaar gekomen was tot zijn bloei, voor zoveel bloei mogelijk was in deze tijden van algemene malaise:de koloniën arm, de bevolking verarmd, de koffiecultuur slechter dan ooit, de suiker misschien over twee jaar een hevige crisis gaande tegemoet... Indië kwijnde, en zelfs in de nijvere Oosthoek begon te kankeren een loomheid en zwakte, maar toch voor Laboewangi had hij veel kunnen doen. Gedurende zijn bestuur was de bevolking in welvaart toegenomen; de irrigatie der rijstvelden was er uitstekend, nadat hij de ingenieur, eerst altijd in strijd met het B-B. [noot: Binnenlands Bestuur.] had weten te winnen door zijn tact. Talrijke stoomtrammen waren aangelegd. De secretaris, zijn assistent-residenten, zijn controleurs waren hem toegedaan, al was het zwaar werken onder zijn bestuur. Maar hij had ook een prettige toon met ze, al was het werken zwaar. Hij kon joviaal vriendschappelijk zijn, al was hij de resident. Hij was blij, dat zij allen, zijn controleurs, zijn assistent-residenten vertoonden dat gezonde, blijmoedige type van de ambtenaar van B-B., tevreden met hun leven en werk, al bestudeerden zij ook tegenwoordig veel meer dan vroeger de Regeringsalmanak en de Ranglijst, voor hun promotie. Het was dan Van Oudijcks stokpaardje zijn ambtenaren te vergelijken met de rechterlijke ambtenaren, die niet vertoonden dat opgewekte type: tussen beide groepen was dan ook steeds lichte naijver, animositeit... Ja, het was een prettig leven, het was een prettige werkkring, alles was goed, alles was goed. Er ging niets boven B-B. Het speet hem alleen, dat zijn verhouding tot de Regent niet gemakkelijker was, niet aangenamer was. Maar het was niet zijn schuld. Hij had de Regent steeds zeer nauwgezet gegeven wat hem toekwam, hem gelaten in zijn rechten, hem hoog gehouden tegenover de Javaanse ambtenaren. O, het speet hem zo innig, dat gestorven was de oude Pangéran, de vader van de Regent, de oude Regent, een nobele ontwikkelde Javaan. Met die had hij steeds gesympathiseerd, hem had hij dadelijk gewonnen door zijn tact. Had hij niet, nu vijf jaar geleden, toen hij aankwam te Laboewangi voor de bestuursovername de Pangéran - type van de echte Javaanse edelman - geïnviteerd aan zijn zijde plaats te nemen in zijn eigen rijtuig - en niet, zoals gebruikelijk was, de Regent laten volgen in een tweede rijtuig achter het residentsrijtuig -; en had hij niet door deze beleefdheid tegenover de oude prins alle Javaanse hoofden en ambtenaren dadelijk gewonnen en hen gestreeld in hun eerbied en liefde voor hun Regent: afstammeling van een der oudste Javaanse geslachten: de Adiningrats, vroeger, ten tijde der Compagnie, sultans van Madoera...? Maar Soenario, zijn zoon, de jonge Regent nu, hém kon hij niet vatten, niet doorpeilen - dit bekende hij zich slechts stilzwijgend -; hem zag hij alleen raadselachtig, die wajangpop, zoals hij hem noemde, altijd stijf, op een afstand tegenover hém, de resident, alsof hij - prins - neerzag op hem - Hollandse burgerman; en daarbij fanatiek, zonder oog voor de belangen zijner Javaanse bevolking, en alleen maar verloren in allerlei bijgelovige praktijken en fanatieke bespiegelingen. Hij zeide het niet ronduit, maar iets ontsnapte hem in de Regent. Hij kon die fijne figuur, met zijn strakke koolzwarte ogen, niet neerzetten als mens in het praktische leven, zoals hij steeds de oude Pangéran had kunnen doen. Die was hem altijd geweest, volgens de leeftijd, zijn vaderlijke vriend; volgens de etiquette zijn "jongere broeder", maar altijd medebestuurder van zijn gewest. Maar Soenario vond hij oneigenlijk, geen ambtenaar, geen Regent, alleen maar een fanatieke Javaan, die zich hulde in iets van geheim: allemaal nonsens, dacht Van Oudijck. Hij lachte om Soenario's faam van hoogheiligheid, die de bevolking hem gaf. Hij vond hem onpraktisch: een gedegenereerde Javaan, een gedetraqueerde Javaanse gommeux!
Maar zijn disharmonie met de Regent - disharmonie alleen van karakter, en nooit gekomen tot werkelijkheid van feit - hij draaide het mannetje immers om zijn vinger! - was de enige grote moeilijkheid, die hem gedurende al die jaren wel eens had laten piekeren. En zijn residentsleven had hij niet willen ruilen voor welk ander leven. O, hij tobde nu al, wat hij later zou doen als hij gepensioeneerd was. Het liefst zou hij zo lang mogelijk blijven in dienst; lid van de Raad van Indië, Vice-president... Wat hij niet zeide, maar stil ambieerde, was, in het verschiet, de troon van Buitenzorg. Maar men had tegenwoordig in Holland die vreemde manie om vreemden tot de hoogste betrekkingen te benoemen, Hollanders, baren, die totaal niets van Indië afwisten - in plaats van getrouw te blijven aan het principe, oud-Indische gedienden te kiezen, die van aspirant-controleur waren opgeklommen en de gehele ambtelijke hiërarchie op hun duimpje kenden... Ja, wat zou hij doen, gepensioeneerd? In Nice wonen? Zonder geld? Want sparen, dat ging niet; het leven was ruim, maar duur, en in plaats van te sparen maakte hij beren. Nu ja, dat kwam er nu niet op aan, dat werd afbetaald, maar later, later... De toekomst, de pensioenering, was hem alles-behalve een aangenaam vooruitzicht. Te vegeteren in Den Haag, in een klein huis, met een bittertje in de Witte en in de Besogne-kamer - met de oude pruiken... brr!! Hij rilde ervan. Hij zou er niet aan denken; hij wilde aan de toekomst dan maar in het geheel niet denken: misschien was hij dood voor die tijd. Maar nu was het heerlijk, zijn werkkring, zijn huis, Indië. Er was totaal niets bij te vergelijken. Léonie had hem glimlachend aangehoord; zij kende zijn stille verrukkingen, zijn dwepen met zijn betrekking; zoals zij het noemde: zijn aanbidding van B-B. Zij vond het goed, zij had er niets tegen. Zij ook waardeerde de luxe van het resident-zijn. Het betrekkelijke isolement kon haar niet schelen, zij had meestal genoeg aan zichzelve... En zij antwoordde glimlachend terug, tevreden, beminnelijk, met haar teint van melk, dat nog blanker was onder de lichte bedak tegen de rode zijde der kimono aan, en mooi in de omgolving van haar blonde haren.
Die morgen, een ogenblik, was zij ontstemd geweest, had Laboewangi, na Batavia, op haar gedrukt, met zijn verveling van binnenlandse hoofdplaats. Maar sinds had zij gekregen een grote briljant; sinds had zij Theo terug... Zijn kamer was vlak bij de hare. En hij zou nog wel in lange tijd geen betrekking kunnen krijgen.
Dat waren haar gedachten, terwijl haar man, na zijn prettige ontboezeming, nog zalig lag na te denken. Dieper dacht zij niet, iets als wroeging zou haar ten zeerste hebben verbaasd, had zij er iets van kunnen voelen... Het begon zachtjes aan te donkeren, de maan steeg al lichtend omhoog, en achter de fluweelmollige waringins, achter de even op en neer wuivende pluimen der klapperbomen, die als statiebossen van donkere struisveren hoog feestelijk staken in de lucht, doezelde het laatste licht van de zon een dof-gouden weerschijn, waartegen de molligheid der waringins, de statie van de klappers afstaken als zwart geëtst. In de verte klonken de enkeltonige klanken van de gamelan, weemoedig, als van een waterheldere glazen piano, met telkens er tussen een diepe dissonant...
VI
Van Oudijck, plezierig om zijn vrouwen kinderen, wilde gaarne toeren, en de landauer werd ingespannen. Van Oudijck keek joviaal en prettig, van onder het brede goudgalon van zijn pet. Léonie, naast hem, had een nieuwe mauve mousseline japon aan, uit Batavia, en een hoed met mauve papavers. Een dameshoed in het binnenland is een luxe, iets van overgrote elegance, en Doddy, tegenover haar, maar op zijn binnenlands zonder hoed, was in stilte geërgerd en vond, dat mama haar toch wel had kunnen zeggen, dat zij een hoed zou "gebruiken", zoals Doddy's taaleigen luidde. Nu stak zij zo af bij mama, nu kon zij niet velen, die zacht wuivende papavers! Van de jongens was René mee, in een fris wit pakje. De hoofdoppasser zat op de bok naast de koetsier en hield tegen zijn heup de grote gouden pajong, symbool van het gezag. Het was over zessen, het begon al te donkeren en over Laboewangi hing in dit uur die fluwelen geluideloosheid, die tragische geheimzinnigheid van de schemer-atmosfeer der Oostmoessondagen. Soms blafte alleen een hond, kirde een woudduif en verbrak de oneigenlijkheid van het zwijgen, als van een onbewoonde stad. Maar nu ook ratelde er dwars door heen het rijtuig, trappelden de paarden de stilte in kleine flarden. Men kwam geen ander rijtuig tegen; een onbezielde mensenloosheid hield de tuinen en galerijen betoverd. Een paar jongelui in het wit wandelden, en namen de hoed af. Het rijtuig had de notabele lanen verlaten en reed de Chinese kamp in, waar in de kleine winkels de lichtjes werden ontstoken. De negotie was zo goed als gedaan: de Chinezen rustten uit, in allerlei slappe houdingen van benen in de lucht en over elkaar, de armen rondom het hoofd, de staarten los, of om het hoofd gebonden. Als het rijtuig naderde, stonden zij op, bleven eerbiedig staan. De Javanen, voor het merendeel - de welopgevoeden, die manieren kenden - hurkten neer. Langs de weg stonden nu, verlicht met kleine petroleumlampjes, de wandelkeukentjes gerijd, de drankverkopers, de gebakverkopers. De kleur in de met talloze lichtjes opgegloeide avondduisternis, was groezelig bont; de Chinese winkeltjes overvol van koopwaren, en betekend met rode en gouden karakters en beplakt met rode en gouden papiertjes met spreuken; op de achtergrond het huisaltaar met de heilige plaat: de witte god, gezeten, en achter hem de grijnzende zwarte god. Maar de straat verbreedde zich, veraanzienlijkte zich eensklaps; rijke Chinese huizen, als witte villa's, blankten zacht op; en vooral trof een blanke paleisvilla van een schatrijke ex-opiumpachter - rijk geworden in de dagen voor de opiumregie - een blank paleis van sierlijk stucwerk met talloze bijgebouwen, de poorten der voorgalerij in een monumentale Chinese stijl van voorname elegance en zachte bonte goudkleur, in de diepte van het open huis het zeer grote huisaltaar, de plaat der goden pronkende in licht; de tuin aangelegd met gemaniëreerde krinkelpaden, maar mooi volgezet met vierkante potten en lange bloemvazen van donker blauw-en-groen glazuur, waarin kostbare dwergplanten - erfstuk van vader op zoon - en alles gehouden in een blinkende properheid, een verzorgde netheid van détail: de welvarende, kraakzindelijke luxe van een millionnair opium-Chinees. Maar niet alle Chinese woningen waren zo pronkerig open, de meeste lagen verborgen in tuinen achter hoge muren, gesloten, en doken terug in het geheim van hun huiselijk leven. Eensklaps waren de huizen gedaan en langs een brede weg strekten Chinese graven zich uit, rijke graven, de grasheuvel met de gemetselde ingang - ingang van dood - opgehoogd in de symboolvorm van het vrouwelijk orgaan: uitkomst van leven, - ruim grasveld er om heen: de ergernis van Van Oudijck, die berekende hoeveel bouw wel voor cultuur verloren was door die begraafplaats der rijke Chinezen. En de Chinezen schenen te triomferen in leven en dood in de anders zo stille stad van geheimzinnigheid, de Chinezen gaven er aan het eigenlijke karakter van drukke beweging, van handel, van rijk worden, van leven en sterven, want toen het rijtuig de Arabische wijk inreed - huizen als andere, maar somber, maar stijlloos, maar fortuin en existentie verborgen achter dichte deuren; in de voorgalerij wel stoelen, maar de heer des huizes somber gehurkt op de grond, onbeweeglijk, met zwarte blik het rijtuig achtervolgende - scheen dit stadsgedeelte nog tragischer geheimzinnig dan het notabele Laboewangi, en scheen het onuitzegbare mysterie uit te donzen als iets van de Islam, dat zich verspreidde over de héle stad, of het de Islam was, die de fatale melancholie van levensgelatenheid uitduisterde in de huiverende, geluideloze avond... Zij voelden dat niet in hun ratelende rijtuig, van hun kinderjaren aan die atmosfeer gewoon en niet gevoelig meer voor het sombere geheim, dat was als het naderen van een zwarte macht, die hen - overheersers met hun kreolenbloed - altijd en altijd had aangeademd, zodat zij ze nooit zouden vermoeden. Misschien als Van Oudijck nu en dan in de couranten las over het pan-islamisme, dat hem iets aanzweemde of de zwarte macht, het sombere geheim even opende voor zijn diepste gedachte. Maar zoals nu - toerende met vrouwen kinderen, in het geratel van zijn rijtuig, en het getrappel van zijn mooie Sydneyërs, de oppasser, met de gesloten pajong, die glinsterde als een dichtgestraalde zon, op de bok, voelde hij te veel zichzelve, zijn heersers-, zijn overheersersnatuur, om iets van het zwarte geheim te raden, iets van het zwarte gevaar te zien. En hij was vooral nu te prettig, om iets melancholieks te voelen, te zien. Hij zag, in zijn optimisme, zelfs niet het verval van zijn stad, die hij liefhad; ze troffen hem niet, nu zij doorreden, die immense zuilenvilla's, getuigende van vroegere planterswelvaart - verlaten, verwaarloosd, in verwilderde erven; een ervan ingenomen door een hout-aankapmaatschappij, die er de opzichter liet wonen en in de voortuin de balken stapelde. Treurig blankten de verlaten huizen op, met portieken van pilaren, die in de woest vergroeide erven spookten in de maan, als tempels van onheil... Maar zij zagen het zo niet: genietende de wiegeling op de zachte rijtuigveren, dommelde Léonie glimlachende, en Doddy spiedde, nu zij de Lange Laan weer naderden, uit, of zij niet Addy zag...
I
De secretaris Onno Eldersma had het druk. De post bracht iedere dag aan het residentie-bureau, waaraan twee kommiezen, zes klerken waren verbonden, tal van djoeroetoelis en magangs, gemiddeld een paar honderd brieven en stukken en de resident mopperde dadelijk zodra er achterstallig werk was. Hij werkte zelve stevig-aan, hij verlangde van zijn ambtenaren hetzelfde. Maar soms was het een stortvloed van stukken, requesten, aanvragen. Eldersma was het type van de, in zijn geschrijf opgaande bureauambtenaar, en Eldersma had het altijd druk. Hij werkte 's morgens, 's middags, 's avonds. Aan siësta deed hij niet. Hij rijsttafelde even om vier uur, en daarna rustte hij even uit. Gelukkig had hij een sterk gestel, fris, Fries, maar al zijn bloed, al zijn spieren, al zijn zenuwen waren hem nodig voor zijn werk. Het was niet wat schrijfwerk, wat paperassengedoe: het was handenarbeid van de pen, spierarbeid, zenuwarbeid, en altijd, altijd door. Hij brandde op, hij verteerde zichzelve, al schrijvende. Hij had geen andere ideeën meer, hij was niets meer dan ambtenaar, bureauman. Hij had een lief huis, een allerliefste bijzondere vrouw, een aardig kind, maar hij zag ze niet meer, al leefde hij, vaag, in zijn interieur. Hij werkte maar, nauwgezet, afdoende wat hij kon. Soms zeide hij de resident, dat het hem onmogelijk was meer te doen. Maar Van Oudijck, op dit punt, was onverbiddelijk, erbarmingloos. Hij was zelve gewestelijk secretaris geweest: hij wist wat het was. Het was werken, het was voortjakkeren als een karrepaard. Het was leven, eten, slapen, met de pen in de hand. Dan toonde Van Oudijck hem dat en dat werk, dat afgedaan moest worden. En Eldersma, die gezegd had, dat hij niet meer kon doen dan hij deed, deed het werk af, en deed dus altijd nog wat meer dan hij dacht te kunnen doen.
Dan zeide zijn vrouw, Eva: mijn man is geen mens meer, mijn man is geen man meer: mijn man is ambtenaar. Het jonge vrouwtje, zeer Europees, vroeger nooit in Indië geweest, nu al een paar jaar te Laboewangi, had nooit geweten, dat men zó kon werken als haar man deed, in een land zo warm als Laboewangi was in de Oostmoesson. Zij had er zich eerst tegen verzet, zij had eerst haar rechten op hem willen doen gelden, maar toen zij waarlijk zag, dat hij geen minuut te veel had, zag zij van haar rechten af. Zij had dadelijk ingezien, dat haar man niet met haar zou meeleven, en zij niet met haar man, niet omdat hij geen goede man was, die veel van zijn vrouw hield, maar alleen omdat de post iedere dag tweehonderd brieven en stukken aanbracht. Zij had dadelijk gezien, dat zij in Laboewangi waar niets was - haar troost moest vinden in haar huis, en later, in haar kind. Zij richtte haar huis in als een tempel van kunst en gezelligheid, en zij brak zich het hoofd over de opvoeding van haar kleine jongen. Zij was een artistiek ontwikkelde vrouw, en zij kwam uit een artistiek milieu. Haar vader was Van Hove, onze beroemde landschapschilder; haar moeder was Stella Couberg, onze beroemde concertzangeres. Eva, opgevoed in een tehuis van kunst en muziek, en die ze geademd had vanaf klein kindje uit haar prenteboekjes, en in haar kinderliedjes - Eva had een Oostindische ambtenaar getrouwd, en was hem gevolgd naar Laboewangi. Zij hield van haar man, een flinke Friese kerel, en iemand, genoeg ontwikkeld om belang te stellen in veel. En zij was gegaan, gelukkig om haar liefde, en met grote illusie over Indië, over al het oriëntalische der tropen. En zij had haar illusie willen behouden, hoe men haar ook gewaarschuwd had. Reeds in Singapore had haar getroffen de bronzen beeldkleur der naakte Maleiërs en het bonte oriëntalisme der Chinese en Arabische wijken; de Chrysanthème-poëzie der Japanse theehuizen, die zij voorbijreed... Maar spoedig al, in Batavia, was een teleurstelling grijs neergezeefd over haar verwachtingen, om overal in Indië iets moois te zien, een sprookje, de Duizend-en-een-Nacht. De zeden van het kleine, het gewone leven van iedere dag dempten al haar frisse lust tot bewonderen, en zij zag ineens al het belachelijke, nog vóor zij het mooie verder zien kon. In haar hotel de heren in nachtbroek en kabaai, uitgestrekt op de lange stoelen, de luie benen op de uitgeslagen latten, de voeten - hoewel zeer verzorgd bloot, en de tenen rustig bewegende in een gemoedelijk spel van grote en kleine teen, zelfs terwijl zij voorbijging... De dames in sarong, kabaai - de enige praktische morgendracht, die men vlug verwisselt, twee-, driemaal in de morgen, - maar wat zo weinigen goed staat, en waarvan de rechte slooplijn van achteren vooral rechthoekig en lelijk is, hoe elegant en kostbaar men het ook draagt. De banaliteit der huizen met al hun kalk en hun teer en lelijke rissen bloempotten; het dorre verschroeide van de natuur, het viezige van de inlander... In het Europese leven al de kleine belachelijkheidjes: het sinjo-accent met de uitroepjes, de kleinsteedse deftigheidjes der ambtenaren - de Raden van Indië alléen dragende een hoge hoed... De streng afgemeten etiquettetjes: op een receptie vertrekt het eerst de hoogst geplaatste ambtenaar, en de anderen volgen na... En de kleine eigenaardigheidjes van tropische praktijk: de Devoe-kisten en blikken van petroleum gebruikt voor alles en nog wat: het hout voor ramen van winkels, voor vuilnisbakken en eigengemaakte meubeltjes; de blikken voor dakgoten en gieters en allerlei huiselijk instrument... Het jonge, zeer ontwikkelde vrouwtje, met haar illusies van de Duizend-en-een-Nacht, bij die eerste indrukken niet onderscheidende het kolonialistische, - de praktijk van de Europeaan, die zich inburgert in een land, vijandig aan zijn bloed - van het waarlijk poëtische, echt Indische, zuiver Oosterse, louter Javaanse - het jonge vrouwtje had om al die belachelijkheidjes, en om meerdere nog, dadelijk gevoeld haar teleurstelling, als een ieder, artistiek aangelegd, ze voelt in het koloniale Indië, dat in het geheel niet artistiek en poëtisch is, en waar men om de rozen in witte potten, nauwgezet, zoveel paardevijgen maar mogelijk stapelt als mest, zodat bij een bries de rozengeur zich vermengt met een fris besproeide meststank. En zij was onrechtvaardig geworden, als een ieder - echt Hollands, echt baar - het wordt voor het mooie land, dat hij zien wil volgens zijn voorbedachte visie van litteratuur, en dat hem het eerst treft in zijn belachelijke kantjes van kolonialisme. En zij vergat, dat het land zelve, het oorspronkelijk zo heel mooie land geen schuld had aan die belachelijkheid.
Zij had een paar jaren doorgemaakt, en zij had zich verwonderd, was nu eens geschrikt, dan weer geschokt, had nu eens gelachen, zich dan weer geërgerd, en had zich eindelijk, met de redelijkheid van haar natuur, - en praktische weerzijde van haar kunstziel, - gewend. Zij had zich gewend aan het spel der tenen, aan de mest om de rozen; zij had zich gewend aan haar man, die geen mens en geen man meer was, maar ambtenaar. Zij had veel geleden, zij had wanhopige brieven geschreven, zij had van heimwee gesmacht naar het huis harer ouders, zij was op het punt geweest plotseling te vertrekken - maar zij had het niet gedaan, om haar man niet in eenzaamheid achter te laten, en zij had zich gewend, en zij had zich geschikt. Zij had behalve de ziel van een artist - haar pianospel was buitengewoon - het hart van een dapper vrouwtje. Zij was haar man lief blijven hebben en zij wist, dat zij hem toch een gezellig huis gaf. Zij dacht heel ernstig over de opvoeding van haar kind. En toen zij zich had gewend, werd zij rechtvaardiger en zag zij eensklaps veel van het mooie Indië, waardeerde zij de statieuze gratie van een klapperboom, de exquise paradijssmaak van Indische vruchten, de pracht der bloeiende bomen, en had zij, in de binnenlanden, gezien de grootse adeldom van die natuur, de harmonieën der berggolvingen, de sprokewouden van reuzevarens, de dreigende ravijnen der kraters, de spiegeltrapterrassen der liquide sawah's, met het tedere groen der jonge padi, en, als een openbaring van artistieke visie was haar geweest het karakter van de Javaan: zijn sierlijkheid, zijn gratie, zijn groet en zijn dans, zijn voorname aristocratie, zo duidelijk dikwijls afstammeling van edel geslacht, van een oer-oude adel, en zich moderniserend tot diplomatische lenigheid, van nature aanbiddend het gezag, en noodlottig geresigneerd onder het juk van die heersers, wier gouden galonnen zijn ingeboren eerbied verwekken.
Om zich had Eva altijd gezien, in haar vaders huis, de eredienst van het artistieke en van het schone, zelfs tot decadentie toe; rondom haar had men haar altijd gewezen, in een omgeving van louter mooie dingen, in mooie woorden, in muziek, op de gratie-lijn van het leven, en misschien te uitsluitend op die gratie-lijn alleen. En nu was zij te veel getraind in deze school der schoonheid om te blijven in haar teleurstelling en alleen te zien de kalk en het teer der huizen, de kleine aanstellerijen der ambtenaren, de Devoe-kisten en de paardevijgen. Haar litteraire geest zag nu het paleisachtige van die huizen, het typische van die ambtenaarshoogmoed, die bijna niet anders zou kunnen zijn, en al die détails zag zij nauwkeuriger, in geheel die Indische wereld zag zij ruimer, tot het haar openbaring bij openbaring werd. Alleen bleef zij voelen iets vreemds, iets, dat zij niet kon analyseren, iets van mysterie, en donker geheim, dat zij voelde aandonzen in de nachten... Maar zij dacht, dat was niet meer dan stemming van duister en heel dicht loof, dat was als heel stille muziek van heel vreemde snaarinstrumenten, een mineur harpgeruis in de verte, een vage stem van waarschuwing... Een geruis in de nacht, meer niet, en waarover zij poëtiseerde.
Te Laboewangi - kleine binnenlandse hoofdplaats - verbaasde zij dikwijls de verbinnenlandste elementen, omdat zij had iets opgewondens, omdat zij was enthousiast, spontaan, blij te leven - zelfs in Indië - blij om de schoonheid van het leven, omdat zij had een gezonde natuur, zacht getemperd en weggedoezeld in een bekoorlijke aanstellerij van niets te willen dan het mooie, de mooie lijn, de mooie kleur, de kunstgedachte. Zij was aan die haar kenden, of antipathiek, of zeer sympathisch: weinigen voelden onverschilligheid voor haar. Zij had zich in Indië verworven een reputatie van bijzonderheid: haar huis was bijzonder, haar kleding bijzonder, de opvoeding van haar kind bijzonder, haar ideeën waren bijzonder, en alleen gewoon was haar Friese man, bijna te gewoon in die omgeving, die geknipt scheen uit een tijdschrift voor kunst. Daar zij hield van gezelligheid, verzamelde zij om zich heen zoveel Europees element als maar mogelijk, dat wel zelden artistiek was, maar waarin zij toch bracht een prettige toon, iets dat allen aan Holland deed denken. Dat clubje, die groep bewonderde haar, en volgde vanzelve de toon, die zij aangaf. Door haar meerdere ontwikkeling heerste zij, zonder dat zij de heersersnatuur had. Maar dat alles vond een ieder niet goed, en de anderen noemden haar excentriek. De club echter, de groep, bleef haar trouw, in de zachte loomheid van het Indische leven opgewekt door haar tot concerten, tot ideeën, tot levenslust. Zo had zij om zich heen de dokter en zijn vrouw, de hoofd-ingenieur en zijn vrouw, de controleurkotta en zijn vrouw, en soms, van buiten-af, een paar controleurs, een paar jonge employé's van de suikerfabrieken. Dat was om haar heen een vrolijk troepje, waarin zij heerste, met wie zij comedie speelde, picnics arrangeerde, en dat zij bekoorde door haar huis, en haar japonnen, en de epicuristische kunstlijn van haar leven. Zij vergaven haar alles wat zij niet begrepen - haar levensesthetiek, haar muziek van Wagner - omdat zij hun vrolijkheid gaf, wat levenslust en gezelligheid in de doodsheid van hun ver-indisching. Daarvoor waren zij haar innig dankbaar. En zo was het gekomen, dat haar huis eigenlijk middelpunt van het sociale leven van Laboewangi was geworden, terwijl het residentie-huis, er tegenover, zich in zijn waringinschaduw met deftigheid terugtrok. Léonie van Oudijck was er niet ijverzuchtig om. Zij hield van haar rust, en zij liet dolgraag alles over aan Eva Eldersma. En zo bemoeide Léonie zich met niets, niet met feesten, niet met muziek- en comediegezelschap, niet met liefdadigheid; en al de sociale plichten, die een residentsvrouw anders op zich voelt rusten, droeg zij op Eva over. Léonie had eens in de maand haar receptie, sprak iedereen aan, glimlachte tegen iedereen en gaf op Nieuwjaar haar jaarlijks bal. Daarbij bepaalde zich het sociale leven in het residentiehuis. Zij leefde er verder in haar egoïsme, in de behaaglijkheid, die zij egoïstisch voor zich om zich heen schiep, in haar roze gedroom van engeltjes en in wat zij er oogsten kon van liefde. Soms, periodiek, had zij behoefte aan Batavia en ging zij er een paar maanden heen. En zo leefde zij, als residentsvrouw, haar eigen leven, en Eva deed alles, en Eva gaf de toon aan. Het gaf soms kleine naijver, bijvoorbeeld tussen haar en de vrouw van de inspecteur van financiën, die vond, dat haar de eerste plaats toekwam na mevrouw Van Oudijck, en niet aan de vrouw van de secretaris. Dan was het een geharrewar met de Indische ambtenaars-etiquette en verhalen, praatjes deden de ronde, vergroot, verergerd, tot in de verst gelegen suikerfabriek van de residentie. Maar Eva stoorde zich niet aan de praatjes en zorgde liever voor wat gezelligheid in Laboewangi. En om iets goeds tot stand te brengen, heerste zij, met haar clubje. Men had haar gekozen tot presidente van het toneelgezelschap Thalia, en zij nam aan, maar op voorwaarde dat het reglement zou worden afgeschaft. Zij wilde wel koningin zijn, maar zonder grondwet. Men zeide haar algemeen, dat dit toch niet ging: er was altijd een reglement geweest. Maar Eva antwoordde, dat zij met een reglement niet wilde presideren. Dan zou zij liever alleen meespelen. Men gaf toe: de grondwet van Thalia werd afgeschaft, Eva heerste er absoluut, koos de stukken uit, verdeelde de rollen. En het was de bloeitijd van het gezelschap - men speelde, gedrild door haar, zo goed, dat men van Soerabaia kwam om de voorstellingen in Concordia bij te wonen. De stukken, die men speelde, waren van een gehalte, als nimmer in Concordia was gespeeld. Het maakte haar weer bemind, of in het geheel niet bemind. Maar zij ging door en zorgde voor wat Europese beschaving, om niet al te veel te "beschimmelen" in Laboewangi. En men deed laagheden om toch maar geïnviteerd te worden op haar dinertjes, die waren beroemd en berucht. Want zij eiste, dat haar heren in rok kwamen en niet in hun Singaporese jasjes, zonder hemd. Zij stelde rok en witte das in, en zij was onverbiddelijk. De dames waren als altijd gedecolleteerd, voor de koelte en vonden dat heerlijk. Maar haar arme heren stribbelden tegen, puften de eerste maal, kregen congestie in hun hoge boord; de dokter beweerde, het was ongezond; de oudgasten beweerden, het was dolligheid en breken met alle goeie, oude Indische gewoonten...
Maar toen men eerst een paar maal gepuft had in die rok en die hoge boord, vond iedereen de dinertjes van mevrouw Eldersma verrukkelijk, juist omdat ze zo Europees werden gehouden.
II
Eva ontving om de veertien dagen.
- Hoor, resident, het is geen receptie, verdedigde zij zich altijd tegen Van Oudijck. Ik weet heel goed, dat niemand mag recipiëren, in het binnenland, dan de resident en de residente. Het is heus geen receptie, resident. Ik zou niet durven het zo te noemen. Ik hou alleen maar open huis, om de veertien dagen, en ik vind het gezellig, als de kennissen dan komen... Het mag toch wel, niet waar, resident, als het geen receptie is?
Van Oudijck lachte dan vrolijk met zijn joviale, militaire snorlach, en vroeg of mevrouwtje Eldersma hem voor de gek hield. Zij mocht alles, als zij maar voortging te zorgen voor wat gezelligheid, voor wat comedie, voor wat muziek, voor wat prettig sociaal samenleven. Dat was nu eenmaal de plicht, die op haar rustte: te zorgen voor het mondaine element in Laboewangi.
Haar ontvangdagen hadden niets Indisch. In het residentie-huis bijvoorbeeld waren de recepties geregeld volgens het oud-Indisch binnenlandse gebruik: op de stoelen langs de wanden zaten al de dames naast elkaar, en mevrouw Van Oudijck liep ze langs, praatte met ieder een ogenblik, staande, terwijl de dames bleven zitten; in een andere galerij onderhield zich de resident met de heren. Het mannelijke element mengde zich niet met het vrouwelijke. Bitter, port en ijswater werden rondgediend.
Bij Eva liep men, wandelde men door de galerijen, zette zich hier, daar; men sprak met iedereen. Er heerste niet de statigheid als in het residentie-huis, maar er was de chic van een Franse salon, met een artistieke tint. En het was een gewoonte geworden, dat de dames zich meer kleedden voor Eva's dagen dan voor de recepties bij de resident; zij hadden bij Eva hoeden op, symbool van uiterste elegance in Indië. Gelukkig kon het Léonie niet schelen, het liet haar totaal onverschillig.
In de middengalerij nu, op een divan, zat Léonie en bleef er zitten met de Raden-Ajoe, de vrouw van de Regent. Zij vond die oude gewoonte gemakkelijk; ieder kwam naar haar toe. Zij had op haar eigen recepties al zoveel te lopen, langs de rij dames aan de wand... Nu nam zij haar rust, bleef zitten, glimlachte tegen wie haar zijn compliment kwam maken, Maar verder was het een woelige beweging van gasten. Eva was overal.
- Vindt u het hier mooi? vroeg mevrouw Van Does aan Léonie, met een blik over de middengalerij en haar oog gleed verwonderd langs de matte arabesken, als fresco, met calcarium op de zacht grijze wand geverfd, langs de djatihouten lambrisering, door handige Chinese meubelmakers gesculpteerd volgens een tekening uit de Studio, langs de bronzen Japanse vazen op djatihouten piedestals, en waarin bamboetakken en boeketten van reuze bloemen zacht overschaduwden tot aan het plafond toe.
- Vreemd... maar heel lief! Eigenaardig..., murmelde Léonie, wie Eva's smaak steeds een raadsel was. In zich teruggetrokken als in een tempel van egoïsme, kon haar wat een ander deed en voelde, niet schelen, en ook niet hoe een ander zijn huis arrangeerde. Maar zij had hier niet kunnen wonen. Zij hield meer van haar lithogravure's - Veronese, en Shakespeare, en Tasso - zij vond die deftig - dan van de mooie bruine fotografieën naar Italiaanse meesters, die Eva hier en daar op ezels had staan. Het meest hield zij van haar bonbon-doos, en de parfumerie-reclame met de engeltjes.
- Vindt u die japon mooi? vroeg mevrouw Van Does weer aan Léonie.
- Jawel, glimlachte Léonie lief. Eva is heel knap; ze heeft die blauwe irissen zelve geschilderd op Chinese zij...
Zij zeide nooit iets anders dan lieve, glimlachende dingen. Zij sprak nooit kwaad; het was haar onverschillig. En zij wendde zich nu tot de Raden-Ajoe, en bedankte haar met lieve, slepende zinnen voor vruchten, die deze gezonden had. De Regent kwam haar aanspreken, en zij informeerde naar zijn beide zoontjes. Zij sprak in het Hollands, en de Regent en de Raden-Ajoe antwoordden in het Maleis. De Regent van Laboewangi, Raden Adipati Soerio Soenario was nog jong, even dertig jaar, een fijn Javaans gezicht als van een laatdunkende wajangpop, met een klein kneveltje, waaraan zorgvuldige puntjes gedraaid, en vooral een staarblik, die trof: een blik als in een voortdurende trance, een blik als peilende door de zichtbare werkelijkheid en ziende door ze heen, een blik uit ogen als kolen, soms dof en moe, soms opgloeiende als vonken van extase en fanatisme. Hij had bij de bevolking - bijna slaafs gehecht aan hun Regentenfamilie - een faam van heiligheid en geheimzinnigheid, zonder dat men er ooit het ware van hoorde. Hier, in Eva's galerij, maakte hij alleen een indruk van popperigheid, van voorname Indische prins: alleen zijn tranceogen verbaasden. De sarong, glad om zijn heupen, viel van voren lang neer in een bundel van platte, regelmatige plooien, die openwaaierden; hij droeg een wit gesteven hemd met diamanten knopen, en een klein blauw dasje; daarover een blauw laken uniformbuis met gouden uniformknopen, waarop de gekroonde W.; aan zijn blote voeten staken zwart verlakte, van voren opgepunte muilen; de hoofddoek, zorgvuldig met kleine plooien gekapt om zijn hoofd, gaf aan zijn fijne gezicht iets vrouwelijks, maar de zwarte ogen, nu en dan moe, vonkten telkens op in trance. In zijn blauw-en-gouden gordel, geheel van achteren, midden op de rug, stak de gouden kris; aan zijn kleine, slanke hand schitterde een grote steen en uit de zak van zijn buis wipte een sigarettenkoker van gouden vlechtwerk. Hij zeide niet veel - soms keek hij of hij slaap had, dan weer gloeiden op zijn vreemde ogen - en op wat Léonie zeide, antwoordde hij bijna uitsluitend alleen met een kort en hakkerig: - Saja... Hij sprak de beide lettergrepen uit met een hard en sissend beleefdheidsaccent, op iedere silbe evenveel toon en nadruk. Hij vergezelde zijn beleefdheidswoordje met een kort, automatisch hoofdknikje. Ook de Raden-Ajoe, gezeten naast Léonie, antwoordde zo: Saja...
Maar zij lachte telkens even na, zacht verlegen. Zij was nog heel jong, misschien even achttien jaar. Zij was een Solose prinses, en Van Oudijck kon haar niet uitstaan, omdat zij Solose manieren, Solose zeggingen invoerde te Laboewangi, in haar laatdunkende hoogmoed of niets zo voornaam en zuiver aristocratisch zou zijn als wat gewoonte was en gezegd werd aan het hof van Solo. Zij gebruikte hofwoorden, die de bevolking te Laboewangi niet begreep, zij had de Regent opgedrongen een koetsier van Solo, met de Solose galadracht: de pruik en de valse knevelbaard, waarnaar de bevolking tuurde met open ogen. Haar gele tint was nog lichter opgeblankt door een lichte laag van bedak, vochtig opgelegd, de wenkbrauwen waren even opgebogen met een streekje zwart; in haar glanzende kondé staken juwelen spelden en in het midden, een kenanga-bloem. Zij droeg op een kainpandjang, die naar Solose hofdracht lang sleepte voor haar voeten, een kabaai van rood brokaat, met galon afgezet, en met drie grote juwelen gesloten. Twee fabelstenen trokken, zwaar in zilver gezet, haar oren neer. Zij droeg lichte ajour kousen en gouden sonket-muilen. Haar kleine, dunne vingertjes waren stijf van ringen, als gezet in briljant, en zij had een waaier van wit pluimendons in de hand.
- Saja... saja... antwoordde zij hoffelijk, met haar verlegen lachje. Léonie zweeg even, moe van alleen te praten. Als zij de Regent en de Raden-Ajoe gesproken had over hun zonen, wist zij niet veel meer te zeggen. Van Oudijck die eerst door Eva was rondgeleid door haar galerijen -want er was altijd weer iets nieuws te bewonderen - naderde zijn vrouw; de Regent rees op.
- En Regent, vroeg hij, in het Hollands: hoe gaat het met de Raden-Ajoe Pangéran?
Hij informeerde naar de weduwe van de oude Regent, de moeder van Soenario.
- Heel goed... dank u... murmelde de Regent in het Maleis: maar mama is niet meegekomen... al zó oud... gauw moe.
- Ik heb u even te spreken, Regent.
De Regent volgde Van Oudijck in de voorgalerij, waar niemand was.
- Het spijt mij, u te moeten zeggen, dat ik zo pas weer slechte tijding heb van uw broer, de Regent van Ngadjiwa... Men heeft mij geïnformeerd, dat hij dezer dagen weer gedobbeld en grote sommen heeft verloren. Weet u daar iets van?
De Regent sloot zich als op in zijn popperige strakheid, en bleef zwijgen. Alleen zijn ogen staarden, als zag hij verre dingen, door Van Oudijck heen.
- Weet u daar iets van, Regent?
- Tida...
- U, als hoofd van uw familie, draag ik op daarnaar te informeren en op uw broeder te letten. Hij dobbelt, hij drinkt, hij doet uw naam geen eer aan, Regent. Als de oude Pangéran ooit had kunnen vermoeden, dat zijn tweede zoon zich zo vergooide, zou hij groot verdriet gehad hebben. Hij droeg zijn naam hoog. Hij was een der verstandigste en edelste Regenten, die het Gouvernement ooit op Java heeft gehad, en u weet, hoe het Gouvernement de Pangéran waardeerde. Al in de tijd der Compagnie is Holland veel verschuldigd geweest aan uw geslacht, dat haar altijd trouw was. Maar de tijden schijnen te veranderen... Het is zeer treurig, Regent, dat een oude Javaanse familie van zo hoge traditie als de uwe, niet meer getrouw weet te blijven aan die traditie...
Raden Adipati Soerio Soenario werd olijfbleek. Zijn trance-ogen doorstaken de resident, maar hij zag, dat deze ook kookte van woede. En hij doofde de vreemde vonk van zijn blik in een slaperige moeheid. - Ik dacht, resident, dat u altijd liefde gevoeld had voor mijn huis, murmelde hij, bijna klagend.
- En u heeft goed gedacht, Regent. Ik had de Pangéran lief. Ik heb altijd uw huis bewonderd, en ik heb het altijd hoog willen houden. Ik wil het ook nu hoog houden, met u samen, Regent, hopende, dat u niet alleen ziet - als uw faam gaat - de dingen der andere wereld, maar ook de werkelijkheid rondom u heen. Maar het is uw broeder, Regent, die ik niet liefheb en onmogelijk kan hoogachten. Men heeft mij gezegd - en die het mij zeiden, kan ik vertrouwen -, dat de Regent van Ngadjiwa niet alleen heeft gedobbeld... maar ook, dat deze maand de traktementen der hoofden te Ngadjiwa niet door hem zijn uitbetaald... Zij zagen elkaar strak aan, en de kalme, flinke blik van Van Oudijck ontmoette de trance-vonk van de Regent.
- De personen, die u inlichten, kunnen zich vergissen...
- Ik vermoed, dat zij mij niet zulke berichten zullen brengen zonder de onbetwijfelbaarste zekerheid... Regent, deze zaak is zeer kies. Nogmaals: u is het hoofd van uw familie. Onderzoek bij uw jongere broer in hoeverre hij zich vergrepen heeft aan het geld van het Gouvernement, en herstel zo spoedig mogelijk alles. Ik laat expres de zaak aan u over. Ik zal uw broer er niet over spreken om een lid van uw familie nog te sparen, zo lang ik kan. Het is aan u uw broer terecht te wijzen, hem te wijzen op wat in mijn ogen een misdaad is, maar die u door uw prestige als chef der familie nog te niet kunt doen. Verbied hem te dobbelen en beveel hem zijn passie meester te worden. Of anders voorzie ik zeer treurige dingen en zal ik uw broer moeten voordragen voor ontslag. U weet zelve hoe ongaarne ik dit zou doen. Want de Regent van Ngadjiwa is de tweede zoon van de oude Pangéran, die ik hoog heb gesteld, evenals ik uw moeder, de Raden-Ajoe Pangéran, altijd alle verdriet zou willen besparen.
- Ik dank u... murmelde Soenario.
- Bedenk goed wat ik u zeg, Regent. Als u niet uw broer tot rede kunt brengen, tot zelfbeheersing in zijn hartstocht - als de traktementen der hoofden niet zo spoedig mogelijk worden uitbetaald... dan zal ik moeten optreden. En zou mijn waarschuwing niet helpen... dan zou het de ondergang zijn van uw broer. U weet zelve: een Regent ontslaan is een zo grote exceptie, dat het schande over uw familie zou brengen. Werk met mij mee het geslacht der Adiningrats daarvoor te bewaren.
- Ik beloof het u... murmelde de Regent.
- Geef mij uw hand, Regent.
Van Oudijck drukte de dunne vingers van de Javaan.
- Kan ik u vertrouwen? vroeg hij nog eens.
- In leven, in dood...
- Laat ons dan nu naar binnen gaan. En deel mij zo spoedig mogelijk uw bevindingen mee...
De Regent boog. Hij was olijfbleek van een stille geheimzinnige woede, die als een kratervuur in hem werkte. Zijn ogen, achter in Van Oudijcks rug, priemden met een mysterie van haat de Hollander toe, de minne Hollander, de burgerman, de onreine hond, de goddeloze Christen, die niet had aan te roeren met enige voeling van zijn vuile ziel iets van hem, van zijn huis, van zijn vader, van zijn moeder, van hun oer-heilige edelheid en adel... ook al hadden zij altijd gebogen onder de druk van wie sterker was...
III
- Ik heb op jullie gerekend, om te blijven eten, zei Eva.
- Natuurlijk, antwoordden de controleur Van Helderen en zijn vrouw.
De receptie - geen receptie, verdedigde zich Eva altijd - liep ten einde: de Van Oudijcks, het eerst, waren vertrokken; de Regent volgde. De Eldersma's bleven met hun intiem troepje alleen; dokter Rantzow, de hoofdingenieur Doorn de Bruijn, met hun vrouwen, en de Van Helderens. Zij zetten zich in de voorgalerij met een zekere ontspanning neer, en schommelden behaaglijk. Whiskey-soda's, limonades, met grote brokken ijs, werden rondgediend.
- Altijd stampvol, receptie van Eva, zei mevrouw Van Helderen. Voller dan verleden bij residèn...
Ida van Helderen was een typetje van blanke nonna. Zij probeerde altijd heel Europees te doen, netjes Hollands te spreken; zelfs gaf zij voor, dat zij slecht Maleis sprak, en dat zij noch van rijsttafel, noch van roedjak hield. Zij was klein, regelmatig molligjes; zij was heel blank, bleekblank, met grote zwarte verwonderde ogen. Zij was vol kleine geheimzinnige nukjes, haatjes, liefdetjes; alles sprong in haar op met geheimzinnige drijfveertjes, niet na te gaan. Soms haatte zij Eva, soms was zij dol op haar. Staat was er totaal niet op haar te maken; iedere handeling, iedere beweging, ieder woord kon een verrassing zijn. Zij was altijd verliefd, tragisch. Zij nam al haar kleine gevalletjes heel tragisch op, heel groot en somber - zonder het minste idee van verhouding - en stortte zich dan uit bij Eva, die lachte en haar troostte. Haar man, de controleur, was nooit in Holland geweest; hij had zijn opvoeding geheel te Batavia gehad aan het Gymnasium-Willem III en aan de Indische Afdeling. En het was zeer vreemd te zien, deze kreool, schijnbaar geheel Europeaan, lang, blond, bleek, met zijn blonde snor, met zijn blauwe ogen van levendige uitdrukking, vol belangstelling, met zijn manieren van een fijnere hoffelijkheid dan de gigerl-sport-chic van Europa, en toch zo niets Indisch in ideeën, woorden, kleding; die sprak over Parijs en Wenen, alsof hij er jaren geweest was, terwijl hij Java nooit had verlaten; die dweepte met muziek - al was het hem ook moeilijk zich in Wagner te werken, als Eva die speelde -; en wiens grote illusie was het volgend jaar toch eindelijk eens naar Europa te gaan, met verlof, om de Franse Expositie te zien. Er was een verwonderlijke distinctie en ingeboren stijl in deze jonge man, als was hij niet een kind van Europese ouders, die steeds in Indië waren geweest, als was hij een vreemdeling van een land onbekend, van een nationaliteit, die men zich niet dadelijk wist te herinneren... Nauwlijks was er een zekere molligheid aan zijn accent - invloed van het klimaat -; hij sprak zijn Hollands zo correct, dat het bijna stijf zou geweest zijn tussen het slordige "slang" van het moederland; en hij sprak zijn Frans, zijn Engels, zijn Duits met meer gemak, dan de meeste Hollanders die talen spreken. Misschien had hij van een Franse moeder dat exotisch beleefde en hoffelijke: ingeboren, prettig, natuurlijk. In zijn vrouw, ook van Franse origine, gesproten uit een kreolenfamilie van Bourbon, was dat exotische een geheimzinnige mengeling geworden, die niets dan kinderlijkheid was gebleven: een warreling van kleine gevoeletjes, kleine hartstochtjes, terwijl zij met haar grote sombere ogen tragisch het leven probeerde te zien, dat zij alleen maar inkeek als een slecht geschreven novelletje. Zij meende nu verliefd te zijn op de hoofdingenieur, de doyen van het troepje, al grijzende, met een zwarte baard, en zij, tragisch, stelde zich scenes voor met mevrouw Doorn de Bruijn, een zware, placide, melancholieke vrouw. Dokter Rantzow en zijn vrouw waren Duitsers; hij, dik, blond, vrij vulgair, met een buikje; zij, met een helder Duits gezicht van prettige matrone, levendig Hollands sprekende met een Duits accent.
Het was in dit clubje, dat Eva Eldersma heerste. Behalve Frans van Helderen, de controleur, bestond het uit al heel gewone Indische en Europese elementen, mensen zonder kunstlijn, zoals Eva zeide, maar zij had niet anders kunnen kiezen, in Laboewangi, en daarom amuseerde zij zich over de nonna-tragiekjes van Ida, en schikte zij zich naar de anderen. Haar man, Onno, als altijd moe van zijn werk, sprak niet veel mee, luisterde toe.
- Hoe lang is mevrouw Van Oudijck te Batavia geweest? vroeg Ida.
- Twee maanden, zei de doktersvrouw: heel lang deze keer.
- Ik heb gehoord, zei mevrouw Doorn de Bruijn - placide, melancholiek, en stil venijnig - dat deze keer éen Raad van Indië, éen Directeur en drie jongelui uit de handel mevrouw Van Oudijck te Batavia hebben geamuseerd.
- En ik kan jullie verzekeren, begon de dokter: dat als mevrouw Van Oudijck niet geregeld naar Batavia ging, zij een weldadige kuur zou missen, ook al doet zij die kuur op haar eigen houtje, en niet... op mijn voorschrift.
- Laat ons geen kwaad spreken! viel Eva bijna smekend in. Mevrouw Van Oudijck is mooi - van een rustig Junomooi, met de ogen van Venus - en mooie mensen in mijn omgeving vergeef ik veel. En u, dokter... - zij dreigde hem met de vinger -: geen ambtsgeheimen verklappen. U weet, dokters in Indië zijn dikwijls al te openhartig omtrent de geheimen van hun patiënten. Ik heb, als ik eens ziek ben, nooit iets anders dan hoofdpijn. Zal u dat nooit vergeten, dokter?
- De resident was gepreoccupeerd, zei Doorn de Bruijn.
- Zou hij weten... van zijn vrouw? vroeg Ida somber, met haar grote ogen vol zwart fluwelen tragiek.
- De resident is dikwijls zo, zei Frans van Helderen. Hij heeft zijn buien. Hij is soms prettig, vroijk, joviaal, zoals verleden op de tournee. Dan heeft hij weer zijn sombere dagen, werkt, werkt, werkt, en bromt, dat er niet anders gewerkt wordt dan door hem...
- Mijn arme miskende Onno! zuchtte Eva.
- Ik geloof, dat hij zich overwerkt, ging Van Helderen door. Laboewangi is een ontzettend druk gewest. En de resident trekt zich te veel aan, zowel in zijn huis, als buitenaf. Zowel de verhouding met zijn zoon, als met de Regent.
- Ik zou de Regent laten springen, zei de dokter.
- Maar dokter, zei Van Helderen. Zoveel weet je toch wel van onze Javaanse toestanden, om in te zien, dat dat zo maar niet gaat. De Regentenfamilie is te éen met Laboewangi en te hoog in aanzien bij de bevolking... .
- Ja, ik ken de Hollandse politiek... De Engelsen handelen in Brits-Indië hoger en willekeuriger met hun Indische prinsen. De Hollanders ontzien ze veel te veel.
- Het zou de vraag zijn, welke politiek op den duur de beste is, zei Van Helderen droog, die niet kon velen, dat een vreemdeling in een Nederlandse kolonie iets afbrak. Toestanden van ellende en hongersnood als in Brits-Indië kennen wij gelukkig bij ons niet.
- Ik zag de resident ernstig spreken met de Regent, zei Doorn de Bruijn.
- De resident is te gevoelig, zei Van Helderen. Hij gaat zeer zeker gebukt onder dat langzaam verval van die oude Javaanse familie, die familie, die fataal ondergaat, en die hij hoog zou willen houden. De resident, hoe koel praktisch ook, heeft daarin iets van een poëet. Hoewel hij het niet zou willen toegeven. Maar hij herinnert zich het glorieuze verleden van de Adiningrats, hij herinnert zich die laatste mooie figuur nog, de oude nobele Pangéran, en hij vergelijkt hem met zijn zonen, de een een dweper, de ander een dobbelaar...
- Ik vind onze Regent - niet die van Ngadjiwa: dat is een koelie - verrukkelijk! zei Eva. Ik vind hem een levende wajangpop. Alleen zijn ogen, daarvoor ben ik bang. Wat een verschrikkelijke ogen! Soms slapen ze, maar soms zijn ze als van een gek. Maar hij is zo fijn, zo voornaam. En de Raden-Ajoe ook is een exquis poppetje: saja... saja... Ze zegt niets, maar ze ziet er decoratief uit. Ik ben altijd blij als ze mijn jour decoreren, en ik mis iets, als ze er niet zijn. En dan de oude Raden-Ajoe Pangéran, grijs, waardig, een koningin...
- Een dobbelaarster van het eerste water, zei Eldersma.
- Ze verdobbelen alles, zei Van Helderen; zij en de Regent van Ngadjiwa. Zij zijn niet rijk meer. De oude Pangéran had prachtige waardigheidsinsigniën voor zijn gala, magnifieke lansen, een juwelen sirih-doos, kwispedoren - nuttige voorwerpen! - van onschatbare waarde. De oude Raden-Ajoe heeft alles verdobbeld. Ik geloof, dat zij niets meer heeft dan haar pensioen, ik meen twee-honderd-veertig gulden. En hoe onze Regent al zijn neven en nichten in de Kaboepaten onderhoudt volgens Javaans gebruik, is mij een raadsel.
- Welk gebruik? vroeg de dokter.
- Iedere Regent verzamelt zijn gehele familie als parasieten om zich heen, kleedt ze, voedt ze, geeft ze zakgeld... en de bevolking vindt dat waardig en chic.
- Treurig... die vervallen grootheid! zei Ida, somber. Een jongen kwam zeggen, dat het diner gereed was en men begaf zich naar de achtergalerij, en zette zich aan tafel.
- En wat is er in het vooruitzicht, mevrouwtje? vroeg de hoofdingenieur. Welke plannen zijn er? Laboewangi is stil geweest, de laatste tijd.
- Eigenlijk is het vreeslijk, zei Eva. Als ik jullie niet had, zou het vreeslijk zijn. Als ik niet altijd plannen maakte, ideeën had, zou het vreeslijk zijn, zo een bestaan in Laboewangi. Mijn man voelt dat niet, hij werkt, zoals u, heren allen werken; wat kan men in Indië anders doen dan werken, trots de warmte. Maar voor ons vrouwen! Eigenlijk, wat een leven, als men zijn geluk niet geheel schept uit zichzelve, in zijn huis, in zijn kringetje - als men het geluk heeft dat kringetje te hebben. Niets van buiten af. Geen schilderij, geen beeld, dat men ziet; geen muziek, die men hoort. Wees niet boos, Van Helderen. Je speelt allerliefst violoncel, maar niemand in Indië blijft op de hoogte. De Italiaanse opera speelt de Trouvère. De dilettantengezelschappen - in Batavia heus heel goed - spelen... de Trouvère. En jij, Van Helderen... spreek het niet tegen. Ik heb je extase gezien, toen de Italiaanse opera uit Soerabaia verleden keer in de Societeit... de Trouvère kwam spelen. Je was verrukt.
- Er waren mooie stemmen bij...
- Maar twintig jaar geleden - zo hoor ik - was men hier ook verrukt over... de Trouvère. O, het is verschrikkelijk! Soms... ineens, beklemt het me. Soms voel ik ineens, dat ik mij niet gewend heb aan Indië, en dat ik nooit zal wennen, en heb ik een heimwee naar Europa, naar leven!
- Maar Eva... begon Eldersma, bang - bang, dat zij waarlijk eens gaan zou, hem alleen laten in zijn dan totaal vreugdeloos werkleven te Laboewangi -: soms waardeer je toch ook Indië, je huis, het prettige, ruime leven...
- Materieel...
- En waardeer je hier je werkkring; ik meen, het vele, dat je hier doen kan.
- Wat? Feesten arrangeren? Fancy-fairs arrangeren?
- De eigenlijke residente ben jij, Eva, zei Ida dwepend.
- Nu komen wij gelukkig weer op mevrouw Van Oudijck, plaagde mevrouw Doorn de Bruijn.
- En op het ambtsgeheim, zei dokter Rantzow.
- Neen, zuchtte Eva. Wij moeten iets nieuws hebben. Bals, feesten, pic-nics, bergtochten... we hebben al alles uitgeput. Ik weet niets meer. De Indische druk komt op me neer. Ik ben in een van mijn neerslachtige buien. Ik vind die bruine gezichten van mijn jongens ineens griezelig om me. Soms maakt Indië me bang. Voelen jullie dat geen van allen? Een vage angst, een geheimzinnigheid in de lucht, iets dreigends... Ik weet het niet. De avonden zijn soms zo vol geheimzinnigheid en er is iets mysterieus' in het karakter van de inlander, die zo ver van ons staat, zoveel van ons verschilt...
- Artistieke gevoelens, plaagde Van Helderen. Neen, ik voel dat niet. Indië is mijn land.
- Type! plaagde hem Eva terug. Hoe ben je zoals je bent? Zo curieus Europees; Hollands kan ik het niet noemen.
- Mijn moeder was een Française.
- Maar je bent toch een njò; hier geboren, hier opgevoed... En je hebt niets van een njò. Ik vind het heerlijk je ontmoet te hebben, ik hou van je als variëteit... Help mij dan ook. Opper iets nieuws. Geen bal en geen bergtocht. Ik heb behoefte aan iets nieuws. Anders krijg ik het heimwee naar de schilderijen van mijn vader, naar de zang van mijn moeder, naar ons mooi artistiek huis in Den Haag. Zonder iets nieuws ga ik dood. Ik ben niet als je vrouw, Van Helderen, altijd verliefd.
- Eva! smeekte Ida.
- Tragisch verliefd, met haar mooie, sombere ogen. Altijd eerst op haar man en dan op een ander. Ik ben nooit verliefd. Zelfs niet meer op mijn man. Hij wel op mij. Maar ik heb geen liefdenatuur. Er wordt hier in Indië wel veel gedaan aan liefde, nietwaar dokter. Dus... geen bal, geen bergtocht, geen liefde. Mijn God, wat dan, wat dan...
- Ik weet wel iets, zei mevrouw Doorn de Bruijn, en over haar placide melancholiek kwam een plotselinge angst. En terzijde keek zij mevrouw Rantzow aan, de Duitse vrouw begreep haar blik...
- Wat dan? vroegen zij allen, nieuwsgierig.
- Tafeldans, fluisterden de beide dames.
Men lachte algemeen.
- Ach, zuchtte Eva, teleurgesteld. Een truc, een aardigheid, een spel voor een avond. Neen, ik moet iets hebben om minstens gedurende een maand mijn leven te vullen.
- Tafeldans, herhaalde mevrouw Rantzow.
- Wil ik u wat vertellen, zei mevrouw Doorn de Bruijn. Verleden, voor de aardigheid, probeerden wij een knaap te laten dansen. Wij beloofden elkaar heel eerlijk te zijn. De tafel... bewoog, en spelde: tikte volgens het alfabet.
- Maar was het eerlijk? vroegen de dokter, Eldersma, Van Helderen.
- U moet ons vertrouwen, verdedigden zich de twee dames.
- Top, zeide Eva. Wij hebben met ons diner gedaan. Laat ons tafeldans doen.
- Wij moeten elkaar beloven eerlijk te zijn... zei mevrouw Rantzow. Ik zie... dat mijn man antipathiek zal zijn. Maar Ida... een groot medium.
Zij stonden op.
- Moet het licht uit? vroeg Eva.
- Neen, zei mevrouw Doorn de Bruijn.
- Een gewoon knaapje?
- Een houten knaap.
- Met ons achten?
- Neen, laten wij eerst kiezen; bijvoorbeeld, jij Eva, Ida, Van Helderen en mevrouw Rantzow. De dokter is antipathiek, Eldersma ook. De Bruijn en ik kunnen jullie afwisselen.
- Vooruit dan, zei Eva. Een nieuwe ressource voor het maatschappelijk leven van Laboewangi. En eerlijk...
- Wij geven elkaar, als vrienden, ons woord van eer... dat wij eerlijk zullen zijn.
- Top, zeiden zij allen.
De dokter grinnikte. Eldersma haalde zijn schouders op. Een jongen bracht een knaapje. Zij zetten zich om het houten tafeltje en legden luchtig de vingers op, elkaar nieuwsgierig, wantrouwig aankijkende, mevrouw Rantzow plechtig, Eva geamuseerd, Ida somber, Van Helderen onverschillig glimlachende. Eensklaps kwam een strakke trek over het mooie nonna-gezichtje van Ida.
De tafel trilde...
Men keek elkaar verschrikt aan, de dokter grinnikte. Toen, langzaam, lichtte de tafel een van haar drie poten op, en zette die weer voorzichtig neer.
- Heeft iemand bewogen? vroeg Eva.
Zij knikten allen van neen. Ida was bleek geworden.
- Ik voel trillingen in mijn vingers, murmelde zij. De tafel, nog eens, lichtte haar poot op, draaide even knarsend op de marmeren vloer een nijdige kwartcirkel, en zette de poot met een ruwe stamp neer. Zij keken elkaar verwonderd aan.
Ida zat als wezenloos, starende, de vingers uitgespreid, als extatisch. En de tafel, voor de derde maal, lichtte haar poot op.
IV
Het was zeker heel vreemd.
Eva twijfelde even of mevrouw Rantzow de tafel oplichtte, maar toen zij de Duitse doktersvrouw vragend aanzag, schudde deze het hoofd en zag zij, dat zij eerlijk was. Nog eens beloofde men elkaar volle zekerheid... En toen men dus zeker van elkander was in vol vertrouwen, was het allervreemdst, dat de tafel voortging met nijdige knarsende halfcirkels en met de poot te heffen en te tikken op de marmeren vloer.
- Openbaart zich hier een geest? vroeg mevrouw Rantzow, met een blik naar de poot van de tafel.
De tafel tikte eens: ja.
Maar toen de geest zijn naam zou spellen, de letters van zijn naam zou tikken volgens de letters van het alfabet kwam er:
- Z, X, R, S, A, en was de openbaring niet te volgen. Plotseling echter, ging de tafel haastig spellen, als zat iemand haar op de hielen... Men telde de tikjes en er kwam:
- Le...onie... Ou...dijck...
- Wat is er van mevrouw Van Oudijck...?
Er kwam een ruw woord.
De dames schrikten, behalve Ida, die als in een trance zat.
- De tafel heeft gesproken? Wat heeft die gezegd? Wat is mevrouw Van Oudijck? riepen de stemmen door elkaar.
- Het is ongelooflijk! murmelde Eva. Zijn wij allen eerlijk? Ieder zwoer zijn eerlijkheid.
- Laten wij heus eerlijk zijn, anders is er geen aardigheid aan... Ik wou zo gaarne, dat ik zeker kon zijn...
Dat wilden zij allen: mevrouw Rantzow, Ida, Van Helderen, Eva. De anderen staarden nieuwsgierig toe, gelovende, maar de dokter geloofde niet: hij grinnikte.
Maar de tafel knarste nijdig en tikte en de poot herhaalde:
- Een...
En de poot herhaalde het ruwe woord.
- Waarom? vroeg mevrouw Rantzow.
De tafel tikte.
- Schrijf op, Onno! zei Eva tot haar man.
Eldersma zocht een potlood, papier, schreef op.
Er kwamen drie namen: éen van een Raad van Indië, éen van een Directeur, éen van een jong mens van de handel.
- Als in Indië de mensen niet kwaad spreken, spreken de tafels kwaad! zei Eva.
- De geesten... murmelde Ida.
- Dit zijn meestal spotgeesten, doceerde mevrouw Rantzow.
Maar de tafel tikte voort ...
- Schrijf op, Onno! zei Eva. Eldersma schreef.
- A-d-d-y! tikte de poot.
- Neen! riepen alle stemmen door elkaar, heftig ontkennend. Nu vergist de tafel zich! Tenminste de jonge De Luce is nog nooit met mevrouw Van Oudijck samen genoemd.
- T -h-e-o! verbeterde toen de tafel.
- Haar stiefzoon! Het is verschrikkelijk! Dat is wat anders! Algemeen bekend! riepen de stemmen toestemmend uit!
- Maar dat weten wij! zei mevrouw Rantzow, met haar blik naar de poot van de tafel. Kom, zeg nu iets, dat wij niet weten? Kom nu, tafel; kom nu, geest!
Zij sprak lief overtuigend tot de tafelpoot. Men lachte. De tafel knarste.
- Ernstig zijn! waarschuwde mevrouw Doorn de Bruijn. De tafel bonsde neer op Ida's schoot.
- Adoe! riep het mooie nonna-tje, als ontwakende uit haar trance. Tegen mijn buik...!
Men lachte, men lachte. De tafel draaide boos rond, en zij stonden van hun stoelen op, de handen op het knaapje en volgden de nijdige walsbeweging van het tafeltje mee. - Het... volgende... jaar... tikte de tafel.
Eldersma schreef op.
- Ontzettende... oorlog...
- Tussen wie en wie? ...
- Europa... en... China.
- Dat klinkt als een sprookje! grinnikte dokter Rantzow.
- La... boe...wangi, tikte de tafel.
- Wat? vroegen zij.
- Is... een... gat...
- Zeg nu iets ernstigs, tafel, smeekte mevrouw Rantzow lief, met haar prettige Duitse matronemanier.
- Ge... vaar... tikte de tafel.
- Waar?
- Dreigt... ging de tafel voort: Laboe... wangi.
- Gevaar dreigt Laboewangi?
- Ja! tikte de tafel éens, nijdig.
- Welk gevaar?
- Opstand...
- Opstand? Wie staan er op?
- Binnen twee... maanden... Soenario...
Men werd aandachtig.
Maar de tafel, ineens, onverwachts, sloeg weer tegen Ida's schoot aan.
- Adoe dan toch! riep het vrouwtje.
De tafel wilde niet meer.
- Moe... tikte ze.
Men bleef de handen opleggen.
- Uitscheiden... tikte de tafel.
De dokter, grinnikend, legde zijn korte, brede hand op, als een dwang.
- Vrek! schold de tafel uit, knarsend, draaiend. Ploert! schold ze verder.
En er kwamen enige vieze woorden na, aan het adres van de dokter, als riep een straatjongen ze na; vuile woorden, zonder slot noch zin.
- Wie verzint die woorden? vroeg Eva verontwaardigd. Klaarblijkelijk verzon niemand ze, noch de drie dames, noch Van Helderen, altijd zeer in de puntjes en die klaarblijkelijk verontwaardigd was over de ongegeneerdheid van de spotgeest.
- Het is heus een geest! zei Ida bleek.
- Ik schei uit, zei Eva zenuwachtig en hief haar vingers op. Ik begrijp niets van die onzin. Het is wel vermakelijk... maar de tafel is niet gewend aan fatsoenlijk gezelschap.
- Wij hebben een nieuwe ressource voor Laboewangi! spotte Eldersma. Geen pic-nic meer, geen bal... maar tafeldans!
- Wij moeten ons oefenen! zei mevrouw Doorn de Bruijn. Eva haalde de schouders op.
- Het is onverklaarbaar, zeide ze. Ik kan niet anders geloven, dan dat wij allen eerlijk waren. Het is niets voor Van Helderen om zulke woorden te suggereren.
- Mevrouw! verdedigde Van Helderen zich.
- Wij moeten het meer doen, zei Ida. Kijk, daar gaat een hadji het erf af...
Zij wees naar de tuin.
- Een hadji? vroeg Eva.
Zij zagen in de tuin. Er was niets te zien.
- O, neen, zei Ida. Toch niet. Ik dacht, dat het een hadji was... Het is niets: de maneschijn...
Het was al laat. Zij namen afscheid, lachende, vrolijk, zich verwonderende, maar geen verklaring vindende.
- Als de dames nu maar niet zenuwachtig zijn geworden! zei de dokter.
Neen, betrekkelijk waren zij niet zenuwachtig. Zij waren meer geamuseerd, al begrepen zij niet.
Het was twee uur, nu zij gingen. De stad was doodstil, sluimerende in de fluwelen schaduw der tuinen, terwijl de maneschijn stroomde.
V
De volgende dag, toen Eldersma naar het bureau was en Eva huishoudelijk door haar huis liep, in sarong en kabaai, zag zij Frans van Helderen door de tuin komen.
- Mag ik? riep hij.
- Zeker! riep zij. Kom binnen. Maar ik ben op weg naar mijn goedang.
En zij toonde haar sleutelmandje.
- Ik moet over een half uur bij de resident zijn, maar ik ben te vroeg... Daarom loop ik even aan.
Zij glimlachte.
- Maar ik ben bezig, hoor! zeide zij. Ga maar mee naar de goedang.
Hij volgde haar: hij droeg een zwart lustre jasje, omdat hij straks naar de resident moest.
- Hoe is Ida? vroeg Eva. Heeft zij goed geslapen na de spiritistiche séance van gisteren?
- Zo, zo, zei Frans van Helderen. Ik geloof niet, dat het goed voor haar is het weer te doen. Zij werd telkens wakker met een schrik, ze viel me om de hals en vroeg vergeving, ik weet niet waarom.
- Het heeft mij helemaal niet nerveus gemaakt, zei Eva. Hoewel ik er niets van begrijp...
Zij opende de goedang, zij riep haar kokkie, bedisselde met deze het eten. De kokkie was latta, en Eva had er plezier in de oude meid te plagen.
- La...la-illa-lala! riep zij en de kokkie schrikte en riep terug, herstelde zich ogenblikkelijk, vergiffenis smekend.
- Boeang, kokkie, boeang! riep Eva en de kokkie, gesuggereerd, gooide een tetampa met ramboetans en mangistans neer, dadelijk zich herstellende, smekende, de verspreide vruchten oprapend - en haar hoofd schuddende en smakkende met de tong.
- Kom, ga mee! zei Eva tot Frans. Anders breekt ze me straks mijn eieren. Ajo, kokkie, kloewar!
- Ajo, kloewar! herhaalde de latta kokkie. Alla, njonja, minta ampon, njonja, alla soedah njonja!
- Kom nog even zitten, vroeg Eva.
Hij volgde haar.
- U is zo vrolijk, zeide hij.
- U niet?
- Neen, ik ben melancholiek, de laatste tijd.
- Ik ook. Dat zei ik je gisteren. Het ligt in de lucht van Laboewangi. Wij moeten maar alles van onze tafeldans verwachten. Zij zetten zich in de achtergalerij. Hij zuchtte.
- Wat is er? vroeg zij.
- Ik kan het niet helpen, zei de hij. Ik hou van je, ik heb je lief.
Zij zweeg even.
- Alweer, zeide zij verwijtend.
Hij antwoordde niet.
- Ik heb je gezegd, ik heb geen liefdenatuur. Ik ben koud. Ik hou van mijn man, van mijn kind. Laat ons vrienden zijn, Van Helderen.
- Ik strijd ertegen: het geeft niets.
- Ik hou van Ida, ik zou haar voor niets ter wereld ongelukkig willen maken.
- Ik geloof niet, dat ik ooit van haar gehouden heb.
- Van Helderen...
- Misschien alleen van haar mooie gezichtje. Maar hoe blank ook, ze is een nonna. Met haar kuurtjes, haar kinderachtige tragiekjes. Ik heb dat vroeger zo niet ingezien. Nu zie ik het in. Ik heb wel voor u Europese vrouwen ontmoet. Maar u is mij een openbaring geweest, van al het bekoorlijke, gratieuze, artistieke in een vrouw... Wat in u exotisch is, sympathiseert aan mijn exotisme.
- Ik stel je vriendschap op hoge prijs. Laat dat zo blijven.
- Soms ben ik net gek, soms droom ik... dat wij samen in Europa reizen, in Italië, in Parijs zijn. Soms zie ik ons samen, in een dichte kamer, bij een vuur, u pratende over kunst en ik over het modern-sociale van deze tijd. Maar daarna zie ik ons intiemer.
- Van Helderen...
- Het geeft mij niet meer of u mij waarschuwt. Ik heb je lief, Eva, Eva...
- Ik geloof, dat in geen land zoveel lief wordt gehad als in Indië. Het is zeker door de warmte...
- Verpletter me niet onder je sarcasme. Geen vrouw heeft ooit zo tot mijn gehele ziel-en-lichaam gesproken als jij, Eva...
Zij haalde de schouders op.
- Wees niet boos, Van Helderen, maar ik kán niet tegen die banaliteiten. Laat ons verstandig zijn. Ik heb een charmante man, jij een lief vrouwtje. Wij zijn onderling goede, gezellige vrienden.
- Je bent zo koel.
- Ik wil ons geluk van vriendschap niet bederven.
- Vriendschap!
- Vriendschap. Er is niets wat ik buiten het geluk in mijn huis zo hoog waardeer. Ik zou zonder vrienden niet kunnen leven. Gelukkig met mijn man, met mijn kind, heb ik daarna vrienden het eerst nodig.
- Om je te bewonderen, om over ze te heersen, zei hij boos. Zij zag hem aan.
- Misschien, zeide zij koel. Ik heb misschien behoefte bewonderd te worden en te heersen. Wij hebben allen onze zwakheden.
- Ik heb de mijne, sprak hij bitter.
- Kom, sprak zij, liever. Laat ons goede vrienden blijven.
- Ik voel mij diep ongelukkig, zeide hij dof. Het is of ik alles gemist heb in mijn leven. Ik ben nooit van Java af geweest, en ik voel iets onvolkomens in mij, omdat ik nooit sneeuw en ijs heb gezien. Sneeuw... dat is mij iets als een vreemde, onbekende zuiverheid. Waarheen ik verlang, kom ik zelfs nooit langs. Wanneer zie ik Europa? Wanneer dweep ik niet meer met de Trouvère en ben ik eens te Bayreuth? Wanneer bereik ik jou, Eva. Ik strek naar alles voelhorens uit, als een insect zonder vleugels... Wat is verder mijn leven. Met Ida, met drie kinderen, in wie ik hun moeder voorzie, jaren lang controleur blijven, dan - misschien, assistent-resident worden... en het blijven. En dan eindelijk ontslag krijgen, of vragen, en te Soekaboemi gaan wonen, vegeterende op een klein pensioen. Ik voel in mij alles verlangen naar het ledige...
- Je hebt toch je werk lief, je bent een goed ambtenaar. Eldersma zegt het altijd: wie in Indië niet werkt en zijn werk niet liefheeft, is verloren...
- Jij hebt geen natuur van liefde, en ik heb er geen van werken, van niets dan werken. Ik kan werken voor een doel, dat ik mooi voor mij zie, maar ik kan niet werken... om te werken en de leegte van mijn leven te vullen.
- Je doel is Indië...
Hij haalde de schouders op.
- Een groot woord, zeide hij. Dat kan zijn voor iemand als de resident, wie het meeloopt in zijn carrière, die nooit heeft zitten turen op ranglijsten en heeft zitten speculeren, op de éen zijn ziekte en de ander zijn dood... om promotie. Voor iemand als Van Oudijck, die waarlijk, in volle idealistische eerlijkheid meent, dat zijn doel Indië is, niet voor Holland, maar voor Indië zelf; voor de Javaan, die hij, ambtenaar, beschermt tegen de willekeur van landheren en planters. Ik ben cynischer aangelegd...
- Maar wees niet lauw over Indië. Het is geen groot woord: ik voel het zo. Indië is geheel onze grootheid, van ons, Hollanders. Hoor vreemdelingen spreken over Indië, zij zijn allen verrukt over de glorie ervan, over onze wijze van koloniseren... Doe niet mee met onze ellendige Hollandse geest in Holland, die niets van Indië weet, die altijd een woord van spot heeft voor Indië, in hun kleine, stijve, burgerlijke engdenkendbeid...
- Ik wist niet, dat u zo met Indië dweepte. Gisteren nog voelde u hier angst, en verdedigde ik mijn land...
- O, ik voel er de huivering van, de geheimzinnigheid in de avond, waarin iets schijnt aan te dreigen, ik weet niet wat: een bange toekomst, een gevaar voor ons, voor ons... Ik voel, dat ik - persoonlijk - ver van Indië af blijf staan, al wil ik het niet... Dat ik hier mis kunst, dat, waarin ik werd opgevoed. Dat ik hier mis in het leven van de mensen de mooie lijn, waarop mijn beide ouders mij altijd wezen... Maar onrechtvaardig ben ik niet. En Indië, als onze kolonie, vind ik groot; ons in onze kolonie, vind ik groot...
- Vroeger misschien, nu verongelukt alles, nu zijn wij niet groot meer. U is een artistieke natuur: u zoekt, niettegenstaande u ze zelden vindt, toch altijd de artistieke lijn in Indië. En dan komt dat grote, die glorie u voor de geest. Dat is de poëzie. Het proza is: een reusachtige maar uitgeputte kolonie, steeds uit Holland bestuurd met éen idee: winstbejag. De werkelijkheid is niet: de overheerser groot in Indië, maar de overheerser kleine armzielige uitzuiger; het land uitgezogen, en de werkelijke bevolking - niet de Hollander, die zijn Indisch geld opmaakt in Den Haag; maar de bevolking, de Indose bevolking, verknocht aan de Indische grond, - neergedrukt in de minachting van de overheerser, die éens die bevolking uit zijn eigen bloed verwekte - maar nu dreigende op te staan uit die druk en die minachting... U, artistiek, voelt het gevaar naderen, vaag, als een wolk, in de lucht, in de Indische nacht; ik zie het gevaar al heel werkelijk oprijzen - voor Holland - zo niet van Amerika en van ]apan uit, dan uit Indië's eigen grond.
Zij glimlachte.
- Ik hou ervan als je zo praat, zeide zij. Ik zou je eindelijk gelijk geven.
- Als ik met praten zovéel bereiken kon! lachte hij bitter, opstaande. Mijn half uur is om: de resident wacht mij en hij houdt er niet van een enkele minuut te wachten. Adieu, vergeef mij.
- Zeg mij, zeide zij: ben ik coquet?
- Neen, antwoordde hij. U is die u is. En ik kan niet anders, ik heb u lief... Ik strek mijn arme voelhorens uit, altijd. Dat is mijn noodlot...
- Ik zal u helpen mij te vergeten, zeide zij, met een lieve overtuiging.
Hij lachte even, groette, ging. Zij zag hem oversteken de weg naar het residentie-erf, waar een oppasser hem tegemoet kwam...
- Eigenlijk is het leven toch één zelfbedrog, éen dwalen in illusie, dacht zij droef, melancholiek. Een groot doel, een werelddoel... of een klein doel voor zichzelf, voor zijn eigen lijf en ziel... o God, wat is alles weinig! En wat dwalen wij rond, zonder iets te weten. En elk zoekt zich zijn doeletje, zijn illusie. Gelukkig is alleen een exceptie, als Léonie van Oudijck, die leeft niet meer dan een mooie bloem, een mooi beest.
Haar kindje dribbelde naar haar toe, een aardige, dikke, blonde jongen.
- Kind! dacht zij. Wat zal het jou zijn? Wat zal jouw beurt je geven? Ach, misschien niets nieuws. Misschien een herhaling van wat al zoveel malen geweest is. Het leven is een roman, die zich telkens herhaalt... O, als men zich zo voelt, dan drukt Indië.
Zij omhelsde haar jongen, haar tranen dropen in zijn blonde krulletjes.
- Van Oudijck zijn residentie: ik mijn kringetje van... bewondering en heersen... Frans zijn liefde... voor mij... wij hebben allen ons speelgoed, zoals mijn kleine Onno met zijn paardje speelt. Wat zijn wij weinig, wat zijn wij weinig...! Ons gehele leven lang stellen wij ons aan, verbeelden ons van alles, denken lijn en richting en doel te geven aan ons arme dwaalleventje. O, hoe kom ik zo, mijn kind? Mijn kind, en wat, wat zal het jou zijn??
I
Vijftien paal van Laboewangi, dertien paal van Ngadjiwa lag de suikerfabriek Patjaram, van de familie De Luce - half Indoos, half Soloos - vroeger millionnair, door de laatste suikercrisis niet zo rijk meer, maar toch nog een talrijk huisgezin onderhoudend. In deze familie, die zich steeds bij elkander hield - een oude moeder en grootmo